03-08-09
Geschiedenis van het papiergeld: de wisselbrief
Ik ben veel aan het leren over de geschiedenis van het geld en de ontwikkeling van het kapitalistische systeem. Beide zijn immers twee handen op éénzelfde buik. En de financiële crisis heeft als een schokgolf vanuit de Verenigde Staten de hele wereld op zijn grondvesten doen trillen. Is het geld té succesvol geworden? Is het kapitalisme té succesvol geworden, zoals nobelprijswinnaar Paul Krugman beweert in Foreign Affairs uit 1997? Het geld doet immers op een neutrale manier waarvoor het bedoeld is, ongeacht de sociale en ecologische gevolgen. Geld-dat-geld maakt, rentedragend, eeuwig groeiend geld, geld waarbij de vermogensfunctie de simpele ruilfunctie van het geld als betaalmiddel overwoekerd heeft. Geld dat oorspronkelijk bedoeld was om ruilhandelingen te vergemakkelijken, door een tussengoed in het ruilproces te introduceren. Dat geld heeft zich grotendeels losgemaakt van de ruilhandelingen in de reële sfeer, en is een Moloch geworden, die ecologische en sociale verbanden uiteenrukt.
Maar goed, laten we lyrische hyperbolen even achterwege laten. Die zijn al te gratuit en gemakkelijk. Moeilijker is het na te gaan hoe dit geld is gegroeid, welke vormen het in zijn ontwikkeling heeft aangenomen tot zijn huidige vorm, het virtueel geld, geld dat enkel bestaat als cijfertjes op een computerscherm. Ik heb al een kleine bijdrage gebracht over het geld in de middeleeuwen, dat gebaseerd was op gouden en zilveren muntstukken.
Men zou in de verleiding komen dat geld te idealiseren, als geld dat een vaste onveranderlijke waarde in edel metaal vergegenwoordigt. De huidige crisis doet beleggers en investeerders 'in het goud vluchten', zoals dat heet. Maar in die bijdrage over het geld inde middeleeuwen heb ik geschreven dat ook metalliek geld aan waardeverminderingen onderhevig was. De vorsten verlaagden immers voortdurend het gehalte aan edele metalen in de munten, zodat ze uit eenzelfde voorraad biljoen (zilver en goud) meer munten konden slaan. Ook geldhandelaars knoeiden met de waarde van de munt, door er stukken van af te knippen. In de Oostenrijkse Nederlanden circuleerden in de 18de eeuw 'gesnoeide' Hollandse ducaten.
Pas in de 17de-18de eeuw verschenen de eerste papieren bankbiljetten. Papiergeld is fiduciair geld, vertrouwensgeld dat geen intrinsieke waarde heeft, maar louter steunt op vertrouwen. Papiergeld heeft twee voorgangers, twee vormen van financiële waardepapieren, die niet rechtstreeks tot papiergeld hebben geleid, maar die etappes zijn in in het loskomen van het geld van een metallieke basis en het vertrouwen in papieren documenten als dragers van waarde, als representanten van toekomstige koopkracht. Ik heb het over wisselbrieven en aandelen. In deze bijdrage heb ik het enkel over wisselbrieven.
Brugge was in de late middeleeuwen het financiële centrum van het Westen. Met enige overdrijving kan men zeggen dat Brugge het New York van de middeleeuwen was. Brugge was het knooppunt waar twee handelsstromen elkaar ontmoetten: de handel van de Noordduitse Hanzesteden en de levanthandel van Italiaanse steden zoals Venetië en Genua. De financiële handel in Brugge was in handen van de Italianen. Deze hadden geavanceerde financiële technieken ontwikkeld zoals vennootschappen, dubbele boekhouding en bankieren met giraal geld. En ook de wisselbrief. Een voorbeeld van een Italiaanse wisselbrief uitgeschreven in Brugge:
In de naam van God, amen. 12e dag van december, 1399.
Betaalt bij deze eerste wisselbrief op de gebruikelijke vervaldag aan Domenico Sancio zeshonderd schilden tegen 10 schellingen 5 penningen per schild, welke 600 schilden tegen 10 schellingen 5 penningen staan voor de tegenwaarde ontvangen van Jacopo Gosco, en debiteer ze op onze rekening.
Dat God u beware. Giovanni Orlandini en Piero Benizi en Cie in Brugge
in ander handschrift:
geaccepteerd op de 11de dag van januari 1400
op de rug:
Francesco van Prato en Cie in Barcelona
De Italiaanse bankiersfirma G. Orlandini en P. Benizi & Cie had op 12 december 1399 in Brugge van de Spanjaard Jacopo Gosco een bedrag ontvangen ter waarde van 600 schilden. Het bankiersbedrijf Orlandini en Benizi schreef daarop deze wisselbrief uit, waarbij het aan Francesco da Prato, haar correspondent in Barcelona, de opdracht geeft om op de vervaldag het vermelde bedrag uit te betalen aan Domenico Sancho. Deze was de correspondent in Barcelona van de Spanjaard Jacopo Gosco. Men ziet dat er vier partijen betrokken zijn bij een wisselbrief:
- de gever: Jacopo Gosco in Brugge
- de trekker: de firma Orlandini en Benizi in Brugge
- de getrokkene: Francesco da Prato in Barcelona
- de begunstigde: Domenico Sancho in Barelona
Waarom maakt men zulke moeilijke constructie? Kan de Spanjaard Jacopo Gosco niet gewoon zijn 600 schilden opsturen naar zijn correspondent Domenico Sancho in Barcelona? Men mag niet vergeten dat we in de middeleeuwen zijn. Het transport was langzaam en gevaarlijk, zeker in die tijd, toen de Honderjarige Oorlog in Frankrijk woedde tussen Engeland en Frankrijk. Het risico dat het geldtransport door ronddolende soldaten zou geplunderd worden, was heel reëel. D.m.v. een wisselbrief kon geld overgemaakt worden zonder dat er metalliek geld moest verplaatst worden. De wisselbrief had dus in de eerste plaats een transferfunctie.
In de tweede plaats werd de wisselbrief gebruikt als kredietmiddel. In dit geval had Gosco krediet verstrekt aan de firma Orlandini-Benizi & Cie en werd hij na enkele weken via zijn correspondent terugbetaald in een andere wisselkoers. Juist in dergelijke koersverschillen was het mogelijk om Gosco als kredietverstrekker een interest te verstrekken, zonder dat de theologen en andere kerkelijke auteurs verontrust werden door een overtreding van het canoniek renteverbod. Via de wisselbrief kon men aan speculatieve arbitrage doen op de internationale valutamarkt: Brugse deviezen verkopen in ruil voor Barcelonese.
Zo was de middeleeuwse wisselbrief het eerste financiële waardepapier. Maar het gebruik daarvan bleef beperkt tot het elitaire kringetje van de haute finance. De boertjes betaalden hun cijnzen nog met zwart uitgeslagen zivermuntjes en met kippen. We zijn nog een heel eind verwijderd, vooraleer papiergeld in het dagelijks leven als betaalmiddel gebruikt werd.
10:46 Gepost door Johnsatyricon in algemeen | Permalink | Email dit | Tags: geld, kapitalisme, kredietcrisis, economische crisis, middeleeuwen, papiergeld, wisselbrief |
Facebook | |
Print
18-07-09
Waarde van het geld: de middeleeuwen
Het is interessant na te denken over de psychologie van het geld. Je moet daarbij natuurlijk platitudes vermijden, zoals 'money rules the word', geld is macht, met geld kan je alles kopen, etc. De man in de straat weet natuurlijk wat geld is. Een briefje van 10 euro is 10 euro, en daar kan je dit en dat voor kopen. Geld heeft echter een heel lange geschiedenis, en het heeft millenia geduurd, vooraleer we geld kennen als papieren geld, en recenter digitaal geld; geld als cijfertjes op een computerscherm.
Duizenden jaren geleden kende de mens enkel ruilhandel: ik ruil twee varkens voor vier schapen, of een vat koren tegen twee baren koper, etc. In een latere fase van de ontwikkeling ontstaat geld in de vorm van gouden of zilveren munten. Goud en zilver zijn schaarse metalen, waardoor die een intrinsieke waarde hebben, in tegenstelling tot papiergeld. Munten in edele metalen kan je hersmelten tot zilverwerk, of er andere munten mee slaan. Goud en zilver behouden grosso modo hun waarde. Hun prijs kan wel variëren op de markt, maar ze zullen nooit volledig waardeloos worden. Dit in tegenstelling tot papiergeld, dat louter gebaseerd is op vertrouwen (hoewel men in de vroegste fase dit papiergeld in principe kon inwisselen tegen edele metalen).
Maar ook geld in de vorm van gouden en zilveren munten kon door de vorsten gemanipuleerd worden. Dit deden ze door het gehalte van edel metaal erin te verminderen. Laten we even spreken over het geld in de middeleeuwen. Sinds Karel de Grote, die in 800 Keizer werd van de Westerse christenheid, was het muntsysteem gebaseerd op: 1 pond=20 schellingen=240 denieren of penningen, waarbij 1 schelling=12 denieren of penningen.
Vermits de munten op edel metaal gebaseerd waren, is het gemakkelijk te begrijpen dat de benamingen van gewichten op die van de munten overging. 1 pond is nu nog 1/2 kilogram, en 1 pond is nog altijd de benaming van de Britse munt. Later gebruikte men de mark als monetaire gewichtseenheid. De mark is, zoals je wellicht nog weet, de benaming van de Duitse munt van voor de euro. Het eigenaardige pondensysteem, gebaseerd op een twintigdelig en twaalfdelig stelsel, kon je tot voor kort nog aantreffen in het Britse pondensysteem van pound, schilling en penny.
In de vroege middeleeuwen, tot ongeveer 1250, was de denier de enige reële munt in omloop. Aanvankelijk bevatte de denier 1,71gram zilver. Ponden en schellingen bestonden enkel op papier. Ze waren boekhoudkundige begrippen die gebruikt werden om veelvouden van de klinkende denier weer te geven, steeds volgens hetzelfde schema van 1 pond=20schellingen=240 denieren. Een betaling die op papier 1 pond 6 schellingen bedroeg, werd in werkelijkheid vereffend met 312 zilveren denieren, zijnde 240 denieren voor het geboekte pond en zesmaal 12 denieren voor de geboekte 6 schellingen.
Na de dood van Karel de Grote was er de feodale verbrokkeling van het Karolingische eenheidsrijk. Er ontstonden territoriale vorstendommen, zoals het graafschap Vlaanderen, het hertogdom Brabant, het graafschap Champagne, het hertogdom Normandië, etc. Al die vorsten begonnen hun eigen munten te slaan, want geld is altijd het voorrecht van de vorst geweest. Op valsemunterij -dit is als particulier munten namaken-, stonden verschrikkelijke straffen, zoals het levend koken.
Elke vorst sloeg zijn eigen munten, zoals de denier parisis (van de Franse koning), de denier lovens (van Leuven), de denier brussels, etc. Al die verschillende muntstukken zorden natuurlijk voor een grote monetaire verwarring. Want wat is de waarde van de denier parisis in denieren lovens? De vorsten begonnen weldra de zilverwaarde van de denier te verminderen, zodat een gedurige waardedaling van de zilveren muntstukken plaatsvond. terwijl de denier aanvankelijk 1,71 gram zilver bevatte, werden er muntstukken teruggevonden die slechts 0,87 gram zilver bevatten. De denier tournois (van de stad Tours) bevatte zodanig weinig zilver, dat die zwart uitsloeg. Men sprak dan ook van 'zwarten'.
De sterk gedevalueerde deniertjes volstonden niet meer om aan de behoeften van de internationale handel, die vanaf de 11de-12de eeuw opnieuw sterk groeide, te voldoen. De vorsten begonnen dan ook vanaf de 13de eeuw zware zilvermunten en gouden munten te slaan. In Engeland de sterling (denk aan het pond sterling), in Frankrijk de groot, in Florence de florijn (de gulden), en in Venetië de ducaat. De Franse groot werd in onze gewesten nagemaakt, zodat men sprak van de Vlaamse groot en de Brabantse groot.
Interessant is de economische oorlogsvoering tussen de vorsten, door het edel metaal in de munten te verlagen. Wanneer de ene vorst zilveren groten sloeg, kon de andere vorst dezelfde groten in omloop brengen, maar dan met een llchtjes lagere zilverinhoud. Door meer munten uit dezelfde hoeveelheid edel metaal te slagen, kon de vorst winst maken.
Bovendien was er nog een ander fenomeen dat bekend is onder de wet van Gresham: bad money drives out good money. Slecht geld doet het goede geld uit de circulatie verdwijnen. Stel dat munt A en munt B eenzelfde nominale waarde hebben van 1 groot, maar dat munt A meer zilver bevat dan munt B, dan gebeurt hetvolgende. Speculanten komen dat te weten en verzamelen de sterke munten A om die aan vorst B met winst te verkopen. Het muntatelier van vorst B hersmelt de sterke munten A om daarmee meer minderwaardige munten B te slaan met eenzelfde nominale waarde. De sterke munt A verdwijnt dus uit de circulatie om hersmolten te worden in minderwaardige munten.
Vorst A was daarop verplicht om eveneens de zilverinhoud van zijn eigen munten te verminderen, en zo verder. Zo ontstaat een devaluatiecascade, een voortdurende waardevermindering van het geld. Als het geld minder waard word, dan zijn er inflatoire spanningen in de economie, d.w.z. de prijzen voor consumptiegoederen stijgen. Anderzijds bleven de lonen stabiel, waardoor die aan koopkracht inboetten. Dit zorgde voor een verpaupering van de massa loonarbeiders en voor politieke en sociale beroering. Zo waren er in de 14de eeuw heel wat sociale revoltes in het graafschap Vlaanderen. Dit is daling van koopkracht en sociale beroering die uit monetaire instabiliteit voortspruit, d.i. knoeien met de waarde van het geld.
Tot slot: wat kunnen we uit dit verhaal onthouden? 1) geld bestaat niet in het luchtledige, het is altijd gebonden aan politieke macht. Alleen de overheid heeft het recht geld te creëren 2) speculatie heeft altijd bestaan, zij is de exponent van de hebzucht van de mens 3) de waarde van het geld is niet stabiel: de overheden kunnen ermee knoeien om hun eigen doelstellingen ten koste van de kleine man te realiseren. Het massaal bijdrukken van geld, vooral in Amerika, is daarvan een voorbeeld.
14:30 Gepost door Johnsatyricon in algemeen | Permalink | Email dit | Tags: geld, kredietcrisis, economische crisis, middeleeuwen, geschiedenis van het geld |
Facebook | |
Print
05-12-08
De tempeliers bestaan nog
Misschien heb jij ook de bestseller 'De Da Vinci code' van Dan Brown gelezen (in feite was dit boek een schaamteloos plagiaat van 'The Holy Blood and the Holy Grail' (1981) van Henry Lincoln, Michael Baigent en Richard Leigh, slechts overgoten met een flauw verhaaltje). Stelling in deze cultboeken is dat er van in het begin van het Christendom geheime genootschappen en organisaties bestonden die het 'geheim' bewaarden, m.n. dat Christus getrouwd zou zijn geweest met Maria Magdalena, en dat ze kinderen zouden hebben gehad. Dat die heilige bloedlijn tot op de dag van vandaag bestaat.
Allemaal flauwe kul waarschijnlijk, maar zulke stuff verkoopt nu eenmaal goed op de boekenmarkt, en de auteurs zijn er niet armer op geworden.
Eén van die organisaties zouden de tempeliers zijn geweest. Historisch staat vast dat die een religieus-militaire ridderorde waren, die ten tijde van de Eerste Kruistocht, in de 12de eeuw, werden opgericht om de pelgrims in het Heilige Land te beschermen tegen de Moslims.
De tempeliers zijn altijd omgeven geweest door een web van mysteries, geheimen, verdachtmakingen, omdat ze in de loop der tijden een gigantisch fortuin opbouwden. Ze waren zo machtig en rijk geworden dat ze de jaloezie van de Franse koning Filips de Schone opriepen. In een walgelijk staaltje van machtspolitiek doekte die de hele tempeliersorde op, gebaseerd op smerige leugentjes, als zouden de tempeliers de Duivel aanbidden, als zouden ze aan sodomie doen, etc.
Maar occult gedoe in geheimzinnige genootschappen heeft de mens altijd aangesproken, en ook na de opheffing van de eigenlijke tempeliersorde, begin 14de eeuw, ontstonden in Europa met de regelmaat van de klok tempeliersverenigingen, tot op de dag van vandaag.
Zoals blijkt uit deze reportage van Eén. Is dit zinvol of niet? Dat laat ik aan jullie eigen oordeel over...
Ik vind het alvast moedig van deze mensen dat ze voor de camera durven te komen. Ik heb een absolute hekel aan dat geheimzinnig en mystificerend gedoe, zoals in het geval van de zogenaamde 'Prieuré de Sion', met die half-waanzinnige Pierre Plantard, die de ene leugen na de andere de wereld instuurt, alleen om zijn eigen grootheidswaanzin te versterken. Zolang zulke genootschappen in het daglicht blijven, zullen ze niet meer ziekelijke complottheorieën voeden, tot spijt van de bankrekening van bestsellerauteurs...
10:41 Gepost door Johnsatyricon in algemeen | Permalink | Email dit | Tags: heilige graal, tempeliers, dan brown, heilig bloed, jesus, maria magdalena, ridderorden, middeleeuwen, da vinci code |
Facebook | |
Print
25-08-07
Jeanne La Pucelle als krijgsvrouw
Ooggetuigenverslag van één van de gezellen van Jeanne d' Arc, de hertog van Alençon, in 1456, tijden het Rehabilitatieproces van Jeanne D' Arc. Het gaat om de aanval op Orléans in 1429.
Uit de originele processtukken van het Rehebilitatieproces van Jeanne d' Arc, in in het Frans vertaald door Raymond Oursel, Le procès de réhabilitation de Jeanne d' Arc, Paris, 1954.
De hogergenoemde hertog d' Aleçon verklaart:
"Ik kon de forten zien die voor Orléans [door de Engelsen] waren aangelegd, en hun kracht vaststellen. Het is meer door een mirakel dan door de macht der wapens dat we ze konden innemen, zo dunkt me.
Vooral het fort 'les Tourelles' (die de brug bewaakt) en het fort van de Augustijnen: Indien ik daar was geweest met een zwak garnizoen, had ik zes of zeven dagen zonder angst de machtigste troepen kunnen weerstaan, en ik denk niet dat ze me zouden liggen hebben gehad.
Trouwens, de soldaten en kapiteins die erbij waren schreven de gebeurtenissen in Orléans toe aan een mirakel van God en niet aan het werk van de mensen. Ik heb het meer dan eens horen zeggen van Meester Ambroise de Loré, die prevoost van Parijs was.
Ik zag Jeanne, sinds ze de Koning verlaten had, terug bij het opheffen van de belegering van Orléans.
We verzamelden alle mannen van de Koning, tot 600 lansen, om op te rukken naar Jargeau, dat de Engelsen bezetten. Die nacht sliepen we in een bos. 's Morgens arriveerden andere koninklijke troepen, onder de leiding van de Bastaard van Orléans en heer Florent d' Illiers, alsook andere kapiteins. Bij het verzamelen bleken het ongeveer 1200 lansen te zijn.
Er was discussie onder de kapiteins, de enen waren van oordeel om de stad aan te vallen, de anderen om niets te doen,want, zeiden ze, de Engelsen waren daar in groten getale en kracht verzameld.
Jeanne, die deze discussie volgde, zei dat ze niets te vrezen hadden; dat men niet moest aarzelen om de Engelsen aan te vallen, want het was God die de zaak leidde; als ze er niet van overtuigd was dat God over de onderneming waakte, zo verzekerde ze ons, dan had ze liever de lammeren gehoed dan zich aan grote gevaren bloot te stellen.
Dus rukten we op naar Jargeau, met de bedoeling om de versterkingswerken in te nemen en er de nacht door te brengen. Toen de Engelsen onze aanval gewaarwerden, kwamen ze ons tegemoet, en, de eerste keer dreven ze de mannen van de Koning terug.
Toen Jeanne dit zag, nam ze haar banier en ging ten aanval, terwijl ze de soldaten aanmoedigde om dapper te zijn. Ze vochten zo hard dat we die nacht onze tenten opsloegen in Jargeau. En ik geloofde dat God deze aanval had geleid.! Want die nacht waren er bijna geen schermutselingen, in die zin dat, als de Engelsen een aanval hadden uitgevoerd, onze mannen in groot gevaar zouden verkeerd hebben.
Onze mensen stelden de artillerie op, lieten bombarden en belegeringswerktuigen aanrukken tegen de stad, voor als de dag zou komen, en hielden enkele dagen later krijgsraad om te beslissen hoe men de stad zou bevrijden.
Tijdens deze beraadslaging, kwam men te weten dat La Hire gepraat had met heer Suffort, waarover ik en de leiders van de campagne niet tevreden waren. La Hire werd op het matje geroepen; hij kwam.
Na zijn aankomst werd besloten om aan te vallen. De herauten schreeuwden: 'Ten aanval', en Jeanne zelf zei tegen me: 'Vooruit, mooie hertog, ten aanval!' Ik was van oordeel dat de aanval te vroeg kwam. Jeanne repiceerde: 'Wees niet bang; het is het uur dat God behaagt; en als God het behaagt, dan is het tijd om in gang te schieten! Help jezelf, en de Hemel zal je helpen...'
En ze voegde daaraan toe: 'Ah! mooie hertog, ben je bang? Weet je niet meer dat ik aan je vrouw beloofd heb om je veilig en levend terug te brengen?'
Dat is waar, toen ik mijn vrouw verliet om mij bij de campagne van Jeanne te vervoegen, vroeg mijn vrouw aan Jeanne om over mij te waken; ze zei dat ik al eens krijgsgevangen genomen was, dat ik toen zoveel geld heb moeten betalen om mij vrij te kopen, dat ze me vroeg om deze keer niet te vertrekken.
Waarop Jeane zei: 'Mevrouw, wees niet bang. Ik zal hem veilig en levend terugbrengen, in dezelfde staat, of nog beter, dan hij vandaag is.'
Tijdens de aanval op Jargeau, bevond ik mij op een gegeven moment op een bepaalde plaats; Jeanne zei me toen om uit de weg te gaan. Als ik dit niet deed: 'Zie', zei ze, terwijl ze me een katapult in de stad liet zien, 'dat tuig zal je doden.' Ik ging weg, en even later op dezelfde plaats waar ik was en door dezelfde katapult, viel er een dode, Mgr. du Lude. Ik had er achteraf grote schrik van en was ten zeerste verwonderd door de woorden van Jeanne.
Daarna ging Jeanne ten aanval, en ik ging met haar mee. Toen we naderden, riep de graaf van Suffort [de Engelse gegercommandant] dat hij met mij wou spreken. We gaven hem geen gehoor en gingen door met de aanval. Jeanne was daar, op een aanvalsladder, met haar banier, en de banier werd geraakt. Jeanne kreeg zelf een steen tegen het hoofd die haar helm brak.
Ze viel [van de ladder] op de grond, en toen ze zich oprichtte, riep ze: 'Vrienden, vrienden, vlug, vlug! Onze Heer heeft de Engelsen veroordeeld. Nu zullen we ze hebben! Schep moed !' Toen werd Jargeau ingenomen en de Engelsen trokken zich terug naar de bruggen, achtervolgd door de Fransen. Bij de achtervolging doodden we meer dan 1100 man. "
(...)
18:33 Gepost door Johnsatyricon in geschiedenis | Permalink | Email dit | Tags: jeanne d arc, la pucelle, de maagd van lotharingen, jeanne d arc als geniale krijgsvrouw, alencon, orleans, geschiedenis, middeleeuwen |
Facebook | |
Print
Trailer Luc Besson Jeanne d' Arc 'The Messenger'
Waarschuwing: dit clipje is niet geschikt voor -14 jarigen en ook niet voor gevoelige mensen, omdat die zeer gewelddadige scènes bevat!
Trailers zijn zeer efficiënte methode om het succes van films en bij uitbreiding multimediale blogs te promoten. Onderzoek het belang van populaire harde muziek. Die bieden een nieuwe dimensie toe aan de trailer. Zorg ervor dat trailers niet te lang, zijn, verklap niet teveel beelden, zeker niet over de afloop van de film.
Persoonlijk vind ik deze trailer iets te lang en te gewelddadig. Hij toont veel gewelddadige beelden die nu eenmaal goed verkopen. De middeleeuwen waren een gewelddadige tijd, maar zijn we zoveel beter geworden?
Het andere aspect van Jeanne, haar visioenen, haar 'stemmen', stond ze echt in contact met God of was ze psychotisch?, haar hoogmoed "You fought for yourself, Jeanne"-"No!" is nu éénmaal moeilijke visueel in kaart te brengen.
16:58 Gepost door Johnsatyricon in geschiedenis | Permalink | Email dit | Tags: trailer, geschiedenis, clip, dailymotion, luc besson, the messenger, film, jeanne d arc, middeleeuwen, videoclip, youtube |
Facebook | |
Print
Jeanne d' Arc op de branstapel
Uiteindelijk, in 1431, wordt Jeanne d' Arc als een heks en ketteres tot de brandstapel veroordeeld. Heeft ze haar historische opdracht, haar opgedragen door God, vervuld? Of was ze slechts een fantasievolle leugenares? Je zou voor minder vervuld zijn van innerlijke twijfel, als de vlammen van de brandstapel jouw lichaam beginnen te verkolen, het lichaam van een meisje van amper 19 jaar...
Het schijnt dat de massaal aanwezige toeschouwers, ook haar rechters en beulen tot tranen toe bewogen waren bij de ijselijke doodskreeten van dit jonge meisje.
In het latere Rehabilitatieproces rond 1450 getuigde de beul dat het hart en de ingewanden van Jeanne in het vuur intact waren gebleven, hoezeer haar voorlichaam overvloedig met olie, solfer en buskruit waren ingesmeerd.
De Engelsen smeten vlug de verkoolde reste van Jeanne in de Seine, bevreesd als ze waren voor hekserij.
15:56 Gepost door Johnsatyricon in geschiedenis | Permalink | Email dit | Tags: hekserij, middeleeuwen, jeanne d arc, brandstapel, beulen, jeanne d arc op de brandstapel, ketterij, politiek proces |
Facebook | |
Print
24-08-07
Proces Jeanne d' Arc: eerste ondervraging
Uit de originele processtukken, uitgegeven en in het Frans vertaald door Raymond Oursel, Le procès de condamnation de Jeanne d' Arc, Paris, 1954.
Woensdag 21 februari 1431
V: Wat is je naam en familienaam?
A: Thuis noemden ze me Jeannette. Sinds ik naar Frankrijk kwam, noemen ze mij Jeanne. Mijn familienaam ken ik niet.
V: Waar ben je geboren?
A: In Domrémy, dat verenigd is met Greux. De hoofdkerk staat in Greux.
V: Hoe heet je vader? En je moeder?
A: Mijn vader heette Jacques d' Arc. Mijn moeder heet Isabelle.
V: Waar ben je gedoopt?
A: In de kerk van Domrémy.
V: Wie zijn je peter en je meter?
A: Eén van mijn meters heette Agnès, een ander Jeanne, en nog een andere Sibylle. Eén van mijn peters heette Jean Lingué, een andere Jean Barrey. Ik heb nog andere meters, zo vertelde mijn moeder.
V: Wie is de priester die je gedoopt heeft?
A: Jean Minet, denk ik.
V: Leeft hij nog?
A: Ja, ik denk het wel.
V: Goed, hoe oud ben je?
A: negentien jaar, of daaromtrent. Mijn moeder heeft mij het Pater Noster, Ave Maria en Credo geleerd. Ik heb mijn geloof van niemand anders dan van mijn moeder geleerd.
V: Zeg het Pater Noster op, alsjeblieft.
A: Neem mij de biecht af, en ik zal het opzeggen.
(Bisschop Caucon dringt aan. Jeanne blijft weigeren.)
V: En als ik één of twee notabele personen van de Franse nationaliteit zou erbij halen, zou je dan het Pater Noster opzeggen?
A: Nee. Tenzij me ze de biecht zouden afnemen.
V: Welnu, luister goed, Jeanne. Het is je verboden om zonder onze toestemming de gevangenis in het kasteel van Rouen waarin je bent ondergebracht te verlaten.
A: Ik aanvaard geen enkel verbod. Als ik zou ontsnappen, kan niemand mij ervan beschuldigen dat ik mijn geloof zou verraden hebben. En ik protesteer tegen de boeien die ze me hebben aangedaan.
V: Dit is omdat je verschillende keren geprobeerd hebt te ontsnappen uit andere gevangenissen, waarin je werd opgesloten. Daarom, Jeanne, hebben we je in de boeien geslagen, opdat je op die manier beter zou bewaakt worden.
A: Het is waar, ik wou ontsnappen en ook nu, als ik dat zou willen. Elke gevangene heeft het recht om te ontsnappen.
20:57 Gepost door Johnsatyricon in geschiedenis | Permalink | Email dit | Tags: jeanne d arc, eerste ondervraging jeanne d arc, domremy, de maagd van lotharingen, la pucelle, politiek proces, middeleeuwen, geschiedenis |
Facebook | |
Print
Joan of Arc: saint, heroine and martyr
Joan of Arc is a character who chills me to my deepest marrow. She has something that touches a deep archetypical root within me.
Just like me, she was a warrior, she only wanted the Good for her society, but she became the victim of her own succes and vanity. As a result, she was burnt at the stake as a witch and heretic in front of the Cathedral of Rouen, on May 31st 1431.
18:26 Gepost door Johnsatyricon in geschiedenis | Permalink | Email dit | Tags: jeanne d arc, brandstapel, hekserij, ketterij, 19-jarige jeanne d arc op de brandstapel, middeleeuwen, geschiedenis |
Facebook | |
Print
15-04-07
Jeanne d' Arc als krijgsvrouw
Ooggetuigenverslag van één van de gezellen van Jeanne d' Arc, de hertog van Alençon, in 1456, tijden het Rehabilitatieproces van Jeanne D' Arc. Het gaat om de aanval op Orléans in 1429.
Uit de originele processtukken van het Rehebilitatieproces van Jeanne d' Arc, in in het Frans vertaald door Raymond Oursel, Le procès de réhabilitation de Jeanne d' Arc, Paris, 1954.
Ik kon de forten zien die voor Orléans [door de Engelsen] waren aangelegd, en hun kracht vaststellen. Het is meer door een mirakel dan door de macht der wapens dat we ze konden innemen, zo dunkt me. Vooral het fort 'les Tourelles' (die de brug bewaakt) en het fort van de Augustijnen: Indien ik daar was geweest met een zwak garnizoen, had ik zes of zeven dagen zonder angst de machtigste troepen kunnen weerstaan, en ik denk niet dat ze me zouden liggen hebben gehad. Trouwens, de soldaten en kapiteins die erbij waren schreven de gebeurtenissen in Orléans toe aan een mirakel van God en niet aan het werk van de mensen. Ik heb het meer dan eens horen zeggen van Meester Ambroise de Loré, die prevoost van Parijs was.
Ik zag Jeanne, sinds ze de Koning verlaten had, terug bij het opheffen van de belegering van Orléans. We verzamelden alle mannen van de Koning, tot 600 lansen, om op te rukken naar Jargeau, dat de Engelsen bezetten. Die nacht sliepen we in een bos. 's Morgens arriveerden andere koninklijke troepen, onder de leiding van de Bastaard van Orléans en heer Florent d' Illiers, alsook andere kapiteins. Bij het verzamelen bleken het ongeveer 1200 lansen te zijn. Er was discussie onder de kapiteins, de enen waren van oordeel om de stad aan te vallen, de anderen om niets te doen,want, zeiden ze, de Engelsen waren daar in groten getale en kracht verzameld.
Jeanne, die deze discussie volgde, zei dat ze niets te vrezen hadden; dat men niet moest aarzelen om de Engelsen aan te vallen, want het was God die de zaak leidde; als ze er niet van overtuigd was dat God over de onderneming waakte, zo verzekerde ze ons, dan had ze liever de lammeren gehoed dan zich aan grote gevaren bloot te stellen. Dus rukten we op naar Jargeau, met de bedoeling om de versterkingswerken in te nemen en er de nacht door te brengen. Toen de Engelsen onze aanval gewaarwerden, kwamen ze ons tegemoet, en, de eerste keer dreven ze de mannen van de Koning terug. Toen Jeanne dit zag, nam ze haar banier en ging ten aanval, terwijl ze de soldaten aanmoedigde om dapper te zijn. Ze vochten zo hard dat we die nacht onze tenten opsloegen in Jargeau. En ik geloofde dat God deze aanval had geleid.! Want die nacht waren er bijna geen schermutselingen, in die zin dat, als de Engelsen een aanval hadden uitgevoerd, onze mannen in groot gevaar zouden verkeerd hebben.
Onze mensen stelden de artillerie op, lieten bombarden en belegeringswerktuigen aanrukken tegen de stad, voor als de dag zou komen, en hielden enkele dagen later krijgsraad om te beslissen hoe men de stad zou bevrijden. Tijdens deze beraadslaging, kwam men te weten dat La Hire gepraat had met heer Suffort, waarover ik en de leiders van de campagne niet tevreden waren. La Hire werd op het matje geroepen; hij kwam. Na zijn aankomst werd besloten om aan te vallen. De herauten schreeuwden: 'Ten aanval', en Jeanne zelf zei tegen me: 'Vooruit, mooie hertog, ten aanval!' Ik was van oordeel dat de aanval te vroeg kwam. Jeanne repiceerde: 'Wees niet bang; het is het uur dat God behaagt; en als God het behaagt, dan is het tijd om in gang te schieten! Help jezelf, en de Hemel zal je helpen...'
En ze voegde daaraan toe: 'Ah! mooie hertog, ben je bang? Weet je niet meer dat ik aan je vrouw beloofd heb om je veilig en levend terug te brengen?' Dat is waar, toen ik mijn vrouw verliet om mij bij de campagne van Jeanne te vervoegen, vroeg mijn vrouw aan Jeanne om over mij te waken; ze zei dat ik al eens krijgsgevangen genomen was, dat ik toen zoveel geld heb moeten betalen om mij vrij te kopen, dat ze me vroeg om deze keer niet te vertrekken. Waarop Jeane zei: 'Mevrouw, wees niet bang. Ik zal hem veilig en levend terugbrengen, in dezelfde staat, of nog beter, dan hij vandaag is.'
Tijdens de aanval op Jargeau, bevond ik mij op een gegeven moment op een bepaalde plaats; Jeanne zei me toen om uit de weg te gaan. Als ik dit niet deed: 'Zie', zei ze, terwijl ze me een katapult in de stad liet zien, 'dat tuig zal je doden.' Ik ging weg, en even later op dezelfde plaats waar ik was en door dezelfde katapult, viel er een dode, Mgr. du Lude. Ik had er achteraf grote schrik van en was ten zeerste verwonderd door de woorden van Jeanne.
Daarna ging Jeanne ten aanval, en ik ging met haar mee. Toen we naderden, riep de graaf van Suffort dat hij met mij wou spreken. We gaven hem geen gehoor en gingen door met de aanval. Jeanne was daar, op een aanvalsladder, met haar banier, en de banier werd geraakt. Jeanne kreeg zelf een steen tegen het hoofd die haar helm brak. Ze viel tegen de grond, en toen ze zich oprichtte, riep ze: 'Vrienden, vrienden, vlug, vlug! Onze Heer heeft de Engelsen veroordeeld. Nu zullen we ze hebben! Schep moed !' Toen werd Jargeau ingenomen en de Engelsen trokken zich terug naar de bruggen, achtervolgd door de Fransen. Bij de achtervolging doodden we meer dan 1100 man.
(...)
14:42 Gepost door Johnsatyricon in ernstige teksten | Permalink | Email dit | Tags: geschiedenis, middeleeuwen, jeanne d arc, cultuurgeschiedenis, frankrijk, la pucelle, riddertijd, heksen, kastelen |
Facebook | |
Print
Proces van Jeanne d' Arc. Derde ondervraging
Uit de originele processtukken, uitgegeven en in het Frans vertaald door Raymond Oursel, Le procès de condamnation de Jeanne d' Arc, Paris, 1954.
Zaterdag 24 feruari 1431
(Het begin van dit verhoor is niet interessant voor een lezer van vandaag)
...
V: Je had graag een man geweest, niet? Toen je naar Frankrijk moest?
A: Ik heb u daarover al geantwoord.
V: Liet je de beesten op de wei grazen?
V: Ik heb u daarover al geantwoord. Als ik groot was en op de leeftijd des onderscheids, lette ik meestal niet op de beesten, maar ik hielp om hen naar de wei te leiden, en naar een kasteel genaamd l' Ile, toen we grote schrik hadden van de soldaten. Ik herinner mij niet meer of ik in mijn jonge jaren op de beesten lette of niet.
V: En die boom, weet je, in de nabijheid van het dorp?
A: Ja, vlakbij Domrémy is er een boom; men noemt hem de boom der Dames of soms ook de boom der feeën. Niet ver daarvandaan is er een bron. Ik heb gehoord dat de zieken daar gaan drinken en water putten, om hun gezondheid terug te krijgen. Dat heb ik met mijn eigen ogen kunnen zien. Maar of ze genezen of niet, dat zou ik u niet kunnen zeggen. Ik heb ook horen zeggen dat de zieken, als ze het kunnen, gaan wandelen onder de boom.
En het is een grote boom, een beuk, genaamd 'le Fay'; daarvan komt 'de mooie mei' (le beau mai); Hij hoort toe aan Meneer de Ridder Pierre de Bourlemont. Soms ging ik er met de andere meisjes naartoe, en maakte ik slingers voor het beeld van Notre Dame de Domrémy. De ouderen -niet die van mijn leeftijd- vertelden dat de feeën er verbleven. Ik heb gehoord van Jeanne Aubray, de vrouw van de burgemeester en mijn meter, dat ze daar de feeën had gezien. Maar ik weet niet of het waar is of niet. Nooit heb ik, voor zover ik weet, de feeën gezien aan de boom.Of ik hen ergens anders gezien heb, dat weet ik niet.
Ik heb meisjes zien bloemenkransen hangen op de takken van de boom, en soms deed ik dit ook. Soms namen we ze mee, soms lieten we ze daar. Toen ik wist dat ik naar Frankrijk moest, hield ik me nog weinig bezig met spelen en ravotten. Zo weinig mogelijk. Ik weet niet of ik, sinds de leeftijd des onderscheids, onder de boom heb gedanst. Het is mogelijk dat ik er met de andere meisjes heb gedansd; ik speelde meer dan ik danste.
Er is ook een bos, dat men le Bois-Chenu noemt. Men kan het zien vanuit het huis van mijn vader, op ongeveer een halve mijl. Ik heb nooit gehoord dat de feeën er kwamen praten; maar mijn broer vertelde dat men in Domrémy zei: 'Jeanne heeft haar boodschap van de boom der feeën gekregen.' Dit is niet waar. Ik heb hem gezegd dat het niet waar is. En toen ik bij de Koning kwam, waren er die vroegen of er in mijn land een bos was, dat le Bois Chenu heette: want volgens bepaalde profetieën, zou daarvandaan een meisje komen dat mirakelen zou verrichten. Maar ik, Jeanne, heb daar nooit in geloofd.
V: Zou je vrouwenkleren willen aantrekken?
A: Breng mij er één, en laat me gaan. Anders, nee. Ik ben tevreden met deze kleren, omdat het God behaagt dat ik ze draag.
13:14 Gepost door Johnsatyricon in ernstige teksten | Permalink | Email dit | Tags: geschiedenis, dultuurgeschiedenis, middeleeuwen, jenne d arc, la pucelle, frankrijk, riddertijd, kastele, heksen |
Facebook | |
Print
Proces van Jeanne d' Arc. Tweede ondervraging
Uit de originele processtukken, uitgegeven en in het Frans vertaald door Raymond Oursel, Le procès de condamnation de Jeanne d' Arc, Paris, 1954.
Donderdag 22 februari 1431
V: Hoe oud was je toen je het ouderlijk huis verliet?
A: Dat weet ik niet meer.
V: Heb je in je jeugd een beroep aangeleerd?
A: Ja, spinnen en naaien. Als het op spinnen en naaien aankomt, kan geen enkele vrouw uit Rouen mij de baas.
Omwille van de Bourgondiërs verliet ik het huis van mijn vader en ging ik naar Neufchateau in Lotharingen. Ik verbleef bij een vrouw, genaamd 'de Rosse' Ik bleef er vijftien dagen.
Als ik bij mijn vader was, hield ik me bezig met het huishouden. Ik ging niet naar het veld met de schapen en de andere beesten.
V: Ging je elk jaar je zonden opbiechten?
A: Ja, aan meneer Pastoor. Als hij belet was, bij een andere priester, met zijn toestemming. Soms twee of drie maal, als ik me goed herinner. Ik biechtte ook bij bedelmoniken. Dat was in Neufchateau. Met Pasen ontving ik het sacrament van de Eucharistie.
V: En ontving je die ook bij andere feesten dan Pasen?
A: Andere vraag.
Toen ik dertien jaar was, hoorde ik een Stem die van God kwam, om me te leiden en te begeleiden. De eerste keer was ik heel bang. De Stem kwam rond het middaguur. Het was in de zomer, in de tuin van mijn vader. Ik had geen nuchtere maag, en de dag voordien had ik ook niet gevast.
Ik hoorde een Stem, rechts van mij, langs de kant van de kerk. Bijna altijd is er een helderheid die haar begeleidt. Dit licht is langs dezelfde kant waar men de Stem hoort. Meestal is er daar een groot licht.
Toen ik in Frankrijk was, hoorde ik dikwijls de Stem. De eerste keer was er licht.
V: Hoe kan je dit licht zien, omdat het van opzij komt?
A: Andere vraag.
Als ik in een bos was, kon ik ook de Stem tot mij horen komen.
De Stem was goed hoorbaar. Ik denk dat ze door God gezonden is. Na haar drie maal gehoord te hebben, begreep ik dat het de stem van een engel was.
De Stem heeft altijd goed voor mij gezorgd, en ik heb haar altijd goed begrepen.
V: Welke raad gaf de Stem voor het heil van je ziel?
A: Om mij goed te gedragen, om naar de kerk te gaan. Ze zei me dat het noodzakelijk was dat ik, Jeanne, naar Frankrijk ging.
Maar vandaag zal u niet uit mij trekken onder welke vorm de Stem aan mij verscheen.
Twee, driemaal per week zei de Stem me dat ik moest vertrekken en naar Frankrijk gaan.
Dat mijn vader niets mocht weten van mijn vertrek.
De Stem zei me naar Frankrijk te gaan, en ik kon het niet meer uithouden waar ik was. De Stem zei me om het beleg van Orléans op te heffen. Ze zei me om naar Robert de Laudricourt te gaan, de kapitein van die plaats. Dat hij me mensen zou geven die me zouden begeleiden.
Ik antwoordde haar dat ik een arm meisje was dat niets wist van paardrijden of oorlogvoeren. Toen ging ik naar mijn oom. Ik wou er een tijdje blijven. Ik bleef er ongeveer acht dagen. Ik zei tegen mijn oom dat ik naar Vaucouleurs moest gaan. En mijn oom bracht mij daarheen.
Toen ik aankwam ik Vaucouleurs, herkende ik Robert de Baudricourt, en nochtans had ik hem nooit gezien. Het is de Stem die mij hem deed herkennen. De Stem zei me dat hij het was. Ik zei tegen Robert dat ik naar Frankrijk moest gaan.
Tweemaal weigerde hij en joeg me weg. De derde maal gaf hij me mensen. De Stem had mij vooraf gezegd dat het zo zou gebeuren.
De hertog van Lotharingen riep mij bij zich. Ik ging ernaar toe. Ik zei hem dat ik naar Frankrijk wou gaan. De hertog vroeg me om hem te genezen (want hij was ziek). Ik antwoordde hem dat ik daar niets van wist. Over mijn geplande reis zei ik weinig. Ik vroeg hem om mij zijn zoon en andere mensen te geven om me te begeleiden naar Frankrijk, dat ik tot God zou bidden voor zijn gezondheid. Ik was er met een vrijgeleide naartoe gegaan, en ik kwam op dezelfde manier in Vaucouleurs terug.
Ik vertrok uit Vaucouleurs en ik arriveerde in Saint-Urbain, waar ik de nacht in de abdij doorbracht. Ik droeg mannenkleren. Baudricourt had mij een zwaard gegeven, ik had geen andere wapens. Een schildknaap en vier sergeanten begeleidden me.
Onderweg passeerde ik langs Auxerre. Ik hoorde er de mis in de kathedraal. Op dat moment hoorde ik dikwijls mijn Stemmen.
V: Op wiens raad heb je mannenkleren aangetrokken?
(Jeanne weigert herhaaldelijk op die vraag te antwoorden. Tenslotte roept ze uit: 'Ik zal aan niemand een zo zware last toevertrouwen!' Dan vervolgt ze haar verhaal.)
A: Robert de Baudricourt had mijn compagnons laten zweren dat ze over mijn veiligheid zouden waken. Tegen mij zei Robert: 'Ga, ga, en laat gebeuren wat er moet gebeuren.'
.....
A: Ik geraakt zonder moeilijkheden tot bij de Koning. Bij het naderen van Sainte-Catherine de Fierbois, zond ik een letter naar Chinon, waar de Koning zetelde. Ik kwam er rond het middaguur aan, en logeerde in de herberg. Na het avondeten ging ik naar de Koning, in het kasteel. Toen ik de zaal binnentrad, herkende ik hem tussen de anderen, volgens het advies van mijn Stemmen, die mij hem aanwezen. Ik zei tegen de Koning dat ik wou oorlog voeren tegen de Engelsen.
V: Toen de Stem jou je Koning aanwees, was er dan licht op die plaats?
A: Andere vraag.
V: Zou het kunnen dat je een engel boven de Koning zag?
A: Bespaar mij dat. Andere vraag.
Alvorens de Koning mij aan het werk zette, had ook hij veel verschijningen en openbaringen.
V: Welke openbaringen, welke verschijningen?
A: Dat zal ik u niet zeggen. U kan nog geen antwoord verwachten. Ga naar de Koning en vraag het hem.
De Stem had mij beloofd dat de Koning mij zou ontvangen vanaf mijn aankomst. Die van onze partij wisten goed dat de Stem mij door god was gezonden. Ze konden de stem horen en haar kennen: ja, dat weet ik, ik ben er zeker van. De Koning, en heel wat anderen met hem, konden de Stem horen en zien, toen die tot mij kwam. Charles de Bourbon was er, en twee of drie anderen.
Er gaat geen dag voorbij zonder dat ik de Stem hoor, en ik heb haar nodig. Nooit heb ik haar andere beloning gevraagd dan het heil van mijn ziel.
Zij is het die me opgedragen had om in Saint-Denis te blijven. En ik wou daar blijven. Maar de kapiteins namen me mee tegen mijn wil. Als ik niet gewond was geweest, had ik Saint-Denis nooit verlaten. Ik was gewond geraakt bij de belegering van Parijs, toen ik van Saint-Denis kwam. Nochtans genas ik van mijn wonde in vijf dagen. Ik had een aanval op Parijs laten uitvoeren.
V: Was dat niet op een feestdag, die aanval?
A: Ik denk wel dat het op een feestdag was.
V: En je hebt op een feestdag laten aanvallen?
A: Andere vraag.
12:18 Gepost door Johnsatyricon in ernstige teksten | Permalink | Email dit | Tags: proces, geschiedenis, cultuurgeschiedenis, middeleeuwen, riddertijd, kastelen, heksen, frankrijk, jeanne d arc, la pucelle |
Facebook | |
Print
Proces van Jeanne d' Arc. Eerste ondervraging
Uit de originele processtukken, uitgegeven en in het Frans vertaald door Raymond Oursel, Le procès de condamnation de Jeanne d' Arc, Paris, 1954.
Woensdag 21 februari 1431
V: Wat is je naam en familienaam?
A: Thuis noemden ze me Jeannette. Sinds ik naar Frankrijk kwam, noemen ze mij Jeanne. Mijn familienaam ken ik niet.
V: Waar ben je geboren?
A: In Domrémy, dat verenigd is met Greux. De hoofdkerk staat in Greux.
V: Hoe heet je vader? En je moeder?
A: Mijn vader heette Jacques d' Arc. Mijn moeder heet Isabelle.
V: Waar ben je gedoopt?
A: In de kerk van Domrémy.
V: Wie zijn je peter en je meter?
A: Eén van mijn meters heette Agnès, een ander Jeanne, en nog een andere Sibylle. Eén van mijn peters heette Jean Lingué, een andere Jean Barrey. Ik heb nog andere meters, zo vertelde mijn moeder.
V: Wie is de priester die je gedoopt heeft?
A: Jean Minet, denk ik.
V: Leeft hij nog?
A: Ja, ik denk het wel.
V: Goed, hoe oud ben je?
A: negentien jaar, of daaromtrent. Mijn moeder heeft mij het Pater Noster, Ave Maria en Credo geleerd. Ik heb mijn geloof van niemand anders dan van mijn moeder geleerd.
V: Zeg het Pater Noster op, alsjeblieft.
A: Neem mij de biecht af, en ik zal het opzeggen.
(Bisschop Caucon dringt aan. Jeanne blijft weigeren.)
V: En als ik één of twee notabele personen van de Franse nationaliteit zou erbij halen, zou je dan het Pater Noster opzeggen?
A: Nee. Tenzij me ze de biecht zouden afnemen.
V: Welnu, luister goed, Jeanne. Het is je verboden om zonder onze toestemming de gevangenis in het kasteel van Rouen waarin je bent ondergebracht te verlaten.
A: Ik aanvaard geen enkel verbod. Als ik zou ontsnappen, kan niemand mij ervan beschuldigen dat ik mijn geloof zou verraden hebben. En ik protesteer tegen de boeien die ze me hebben aangedaan.
V: Dit is omdat je verschillende keren geprobeerd hebt te ontsnappen uit andere gevangenissen, waarin je werd opgesloten. Daarom, Jeanne, hebben we je in de boeien geslagen, opdat je op die manier beter zou bewaakt worden.
A: Het is waar, ik wou ontsnappen en ook nu, als ik dat zou willen. Elke gevangene heeft het recht om te ontsnappen.
10:43 Gepost door Johnsatyricon in ernstige teksten | Permalink | Email dit | Tags: geschiedenis, jeanne d arc, la pucelle, frankrijk, cultuurgeschiedenis, riddertijd, middeleeuwen, heksen, ridders, kastelen |
Facebook | |
Print

