15-04-07

 Jeanne d' Arc als krijgsvrouw

Ooggetuigenverslag van één van de gezellen van Jeanne d' Arc, de hertog van Alençon, in 1456, tijden het Rehabilitatieproces van Jeanne D' Arc. Het gaat om de aanval op Orléans in 1429.

Uit de originele processtukken van het Rehebilitatieproces van Jeanne d' Arc, in in het Frans vertaald door Raymond Oursel, Le procès de réhabilitation de Jeanne d' Arc, Paris, 1954.

Ik kon de forten zien die voor Orléans [door de Engelsen] waren aangelegd, en hun kracht vaststellen. Het is meer door een mirakel dan door de macht der wapens dat we ze konden innemen, zo dunkt me. Vooral het fort 'les Tourelles' (die de brug bewaakt) en het fort van de Augustijnen: Indien ik daar was geweest met een zwak garnizoen, had ik zes of zeven dagen zonder angst de machtigste troepen kunnen weerstaan, en ik denk niet dat ze me zouden liggen hebben gehad. Trouwens, de soldaten en kapiteins die erbij waren schreven de gebeurtenissen in Orléans toe aan een mirakel van God en niet aan het werk van de mensen. Ik heb het meer dan eens horen zeggen van Meester Ambroise de Loré, die prevoost van Parijs was.

Ik zag Jeanne, sinds ze de Koning verlaten had, terug bij het opheffen van de belegering van Orléans. We verzamelden alle mannen van de Koning, tot 600 lansen, om op te rukken naar Jargeau, dat de Engelsen bezetten. Die nacht sliepen we in een bos. 's Morgens arriveerden andere koninklijke troepen, onder de leiding van de Bastaard van Orléans en heer Florent d' Illiers, alsook andere kapiteins. Bij het verzamelen bleken het ongeveer 1200 lansen te zijn. Er was discussie onder de kapiteins, de enen waren van oordeel om de stad aan te vallen, de anderen om niets te doen,want, zeiden ze, de Engelsen waren daar in groten getale en kracht verzameld.

Jeanne, die deze discussie volgde, zei dat ze niets te vrezen hadden; dat men niet moest aarzelen om de Engelsen aan te vallen, want het was God die de zaak leidde; als ze er niet van overtuigd was dat God over de onderneming waakte, zo verzekerde ze ons, dan had ze liever de lammeren gehoed dan zich aan grote gevaren bloot te stellen. Dus rukten we op naar Jargeau, met de bedoeling om de versterkingswerken in te nemen en er de nacht door te brengen. Toen de Engelsen onze aanval gewaarwerden, kwamen ze ons tegemoet, en, de eerste keer dreven ze de mannen van de Koning terug. Toen Jeanne dit zag, nam ze haar banier en ging ten aanval, terwijl ze de soldaten aanmoedigde om dapper te zijn. Ze vochten zo hard dat we die nacht onze tenten opsloegen in Jargeau. En ik geloofde dat God deze aanval had geleid.! Want die nacht waren er bijna geen schermutselingen, in die zin dat, als de Engelsen een aanval hadden uitgevoerd, onze mannen in groot gevaar zouden verkeerd hebben.

Onze mensen stelden de artillerie op, lieten bombarden en belegeringswerktuigen aanrukken tegen de stad, voor als de dag zou komen, en hielden enkele dagen later krijgsraad om te beslissen hoe men de stad zou bevrijden. Tijdens deze beraadslaging, kwam men te weten dat La Hire gepraat had met heer Suffort, waarover ik en de leiders van de campagne niet tevreden waren. La Hire werd op het matje geroepen; hij kwam. Na zijn aankomst werd besloten om aan te vallen. De herauten schreeuwden: 'Ten aanval', en Jeanne zelf zei tegen me: 'Vooruit, mooie hertog, ten aanval!' Ik was van oordeel dat de aanval te vroeg kwam. Jeanne repiceerde: 'Wees niet bang; het is het uur dat God behaagt; en als God het behaagt, dan is het tijd om in gang te schieten! Help jezelf, en de Hemel zal je helpen...'

En ze voegde daaraan toe: 'Ah! mooie hertog, ben je bang? Weet je niet meer dat ik aan je vrouw beloofd heb om je veilig en levend terug te brengen?' Dat is waar, toen ik mijn vrouw verliet om mij bij de campagne van Jeanne te vervoegen, vroeg mijn vrouw aan Jeanne om over mij te waken; ze zei dat ik al eens krijgsgevangen genomen was, dat ik toen zoveel geld heb moeten betalen om mij vrij te kopen, dat ze me vroeg om deze keer niet te vertrekken. Waarop Jeane zei: 'Mevrouw, wees niet bang. Ik zal hem veilig en levend terugbrengen, in dezelfde staat, of nog beter, dan hij vandaag is.'

Tijdens de aanval op Jargeau, bevond ik mij op een gegeven moment op een bepaalde plaats; Jeanne zei me toen om uit de weg te gaan. Als ik dit niet deed: 'Zie', zei ze, terwijl ze me een katapult in de stad liet zien, 'dat tuig zal je doden.' Ik ging weg, en even later op dezelfde plaats waar ik was en door dezelfde katapult, viel er een dode, Mgr. du Lude. Ik had er achteraf grote schrik van en was ten zeerste verwonderd door de woorden van Jeanne.

Daarna ging Jeanne ten aanval, en ik ging met haar mee. Toen we naderden, riep de graaf van Suffort dat hij met mij wou spreken. We gaven hem geen gehoor en gingen door met de aanval. Jeanne was daar, op een aanvalsladder, met haar banier, en de banier werd geraakt. Jeanne kreeg zelf een steen tegen het hoofd die haar helm brak. Ze viel tegen de grond, en toen ze zich oprichtte, riep ze: 'Vrienden, vrienden, vlug, vlug! Onze Heer heeft de Engelsen veroordeeld. Nu zullen we ze hebben! Schep moed !' Toen werd Jargeau ingenomen en de Engelsen trokken zich terug naar de bruggen, achtervolgd door de Fransen. Bij de achtervolging doodden we meer dan 1100 man.

(...)

Proces van Jeanne d' Arc. Tweede ondervraging

Uit de originele processtukken, uitgegeven en in het Frans vertaald door Raymond Oursel, Le procès de condamnation de Jeanne d' Arc, Paris, 1954.

Donderdag 22 februari 1431

V: Hoe oud was je toen je het ouderlijk huis verliet?

A: Dat weet ik niet meer.

V: Heb je in je jeugd een beroep aangeleerd?

A: Ja, spinnen en naaien. Als het op spinnen en naaien aankomt, kan geen enkele vrouw uit Rouen mij de baas. 

Omwille van de Bourgondiërs verliet ik het huis van mijn vader en ging ik naar Neufchateau in Lotharingen. Ik verbleef bij een vrouw, genaamd 'de Rosse' Ik bleef er vijftien dagen.

Als ik bij mijn vader was, hield ik me bezig met het huishouden. Ik ging niet naar het veld met de schapen en de andere beesten.

V: Ging je elk jaar je zonden opbiechten?

A: Ja, aan meneer Pastoor. Als hij belet was, bij een andere priester, met zijn toestemming. Soms twee of drie maal, als ik me goed herinner. Ik biechtte ook bij bedelmoniken. Dat was in Neufchateau. Met Pasen ontving ik het sacrament van de Eucharistie.

V: En ontving je die ook bij andere feesten dan Pasen?

A: Andere vraag.
Toen ik dertien jaar was, hoorde ik een Stem die van God kwam, om me te leiden en te begeleiden. De eerste keer was ik heel bang. De Stem kwam rond het middaguur. Het was in de zomer, in de tuin van mijn vader. Ik had geen nuchtere maag, en de dag voordien had ik ook niet gevast.

Ik hoorde een Stem, rechts van mij, langs de kant van de kerk. Bijna altijd is er een helderheid die haar begeleidt. Dit licht is langs dezelfde kant waar men de Stem hoort. Meestal is er daar een groot licht.

Toen ik in Frankrijk was, hoorde ik dikwijls de Stem. De eerste keer was er licht.

V: Hoe kan je dit licht zien, omdat het van opzij komt?

A: Andere vraag.
Als ik in een bos was, kon ik ook de Stem tot mij horen komen.

De Stem was goed hoorbaar.  Ik denk dat ze door God gezonden is. Na haar drie maal gehoord te hebben, begreep ik dat het de stem van een engel was.

De Stem heeft altijd goed voor mij gezorgd, en ik heb haar altijd goed begrepen.

V: Welke raad gaf de Stem voor het heil van je ziel?

A: Om mij goed te gedragen, om naar de kerk te gaan. Ze zei me dat het noodzakelijk was dat ik, Jeanne, naar Frankrijk ging.

Maar vandaag zal u niet uit mij trekken onder welke vorm de Stem aan mij verscheen.

Twee, driemaal per week zei de Stem me dat ik moest vertrekken en naar Frankrijk gaan.

Dat mijn vader niets mocht weten van mijn vertrek.

De Stem zei me naar Frankrijk te gaan, en ik kon het niet meer uithouden waar ik was. De Stem zei me om het beleg van Orléans op te heffen. Ze zei me om naar Robert de Laudricourt te gaan, de kapitein van die plaats. Dat hij me mensen zou geven die me zouden begeleiden.

Ik antwoordde haar dat ik een arm meisje was dat niets wist van paardrijden of oorlogvoeren. Toen ging ik naar mijn oom. Ik wou er een tijdje blijven. Ik bleef er ongeveer acht dagen. Ik zei tegen mijn oom dat ik naar Vaucouleurs moest gaan. En mijn oom bracht mij daarheen.

Toen ik aankwam ik Vaucouleurs, herkende ik Robert de Baudricourt, en nochtans had ik hem nooit gezien. Het is de Stem die mij hem deed herkennen. De Stem zei me dat hij het was. Ik zei tegen Robert dat ik naar Frankrijk moest gaan.

Tweemaal weigerde hij en joeg me weg. De derde maal gaf hij me mensen. De Stem had mij vooraf gezegd dat het zo zou gebeuren.

De hertog van Lotharingen riep mij bij zich. Ik ging ernaar toe. Ik zei hem dat ik naar Frankrijk wou gaan. De hertog vroeg me om hem te genezen (want hij was ziek). Ik antwoordde hem dat ik daar niets van wist. Over mijn geplande reis zei ik weinig. Ik vroeg hem om mij zijn zoon en andere mensen te geven om me te begeleiden naar Frankrijk, dat ik tot God zou bidden voor zijn gezondheid. Ik was er met een vrijgeleide naartoe gegaan, en ik kwam op dezelfde manier in Vaucouleurs terug.

Ik vertrok uit Vaucouleurs en ik arriveerde in Saint-Urbain, waar ik de nacht in de abdij doorbracht. Ik droeg mannenkleren. Baudricourt had mij een zwaard gegeven, ik had geen andere wapens. Een schildknaap en vier sergeanten begeleidden me.

Onderweg passeerde ik langs Auxerre. Ik hoorde er de mis in de kathedraal. Op dat moment hoorde ik dikwijls mijn Stemmen.

V: Op wiens raad heb je mannenkleren aangetrokken?

(Jeanne weigert herhaaldelijk op die vraag te antwoorden. Tenslotte roept ze uit: 'Ik zal aan niemand een zo zware last toevertrouwen!' Dan vervolgt ze haar verhaal.)

A: Robert de Baudricourt had mijn compagnons laten zweren dat ze over mijn veiligheid zouden waken. Tegen mij zei Robert: 'Ga, ga, en laat gebeuren wat er moet gebeuren.'

.....

A:  Ik geraakt zonder moeilijkheden tot bij de Koning. Bij het naderen van Sainte-Catherine de Fierbois, zond ik een letter naar Chinon, waar de Koning zetelde. Ik kwam er rond het middaguur aan, en logeerde in de herberg. Na het avondeten ging ik naar de Koning, in het kasteel. Toen ik de zaal binnentrad, herkende ik hem tussen de anderen, volgens het advies van mijn Stemmen, die mij hem aanwezen. Ik zei tegen de Koning dat ik wou oorlog voeren tegen de Engelsen.

V: Toen de Stem jou je Koning aanwees, was er dan licht op die plaats?

A: Andere vraag.

V: Zou het kunnen dat je een engel boven de Koning zag?

A: Bespaar mij dat. Andere vraag.

Alvorens de Koning mij aan het werk zette, had ook hij veel verschijningen en openbaringen.

V: Welke openbaringen, welke verschijningen?

A: Dat zal ik u niet zeggen. U kan nog geen antwoord verwachten. Ga naar de Koning en vraag het hem.

De Stem had mij beloofd dat de Koning mij zou ontvangen vanaf mijn aankomst. Die van onze partij wisten goed dat de Stem mij door god was gezonden. Ze konden de stem horen en haar kennen: ja, dat weet ik, ik ben er zeker van. De Koning, en heel wat anderen met hem, konden de Stem horen en zien, toen die tot mij kwam. Charles de Bourbon was er, en twee of drie anderen.

Er gaat geen dag voorbij zonder dat ik de Stem hoor, en ik heb haar nodig. Nooit heb ik haar andere beloning gevraagd dan het heil van mijn ziel.

Zij is het die me opgedragen had om in Saint-Denis te blijven. En ik wou daar blijven. Maar de kapiteins namen me mee tegen mijn wil. Als ik niet gewond was geweest, had ik Saint-Denis nooit verlaten. Ik was gewond geraakt bij de belegering van Parijs, toen ik van Saint-Denis kwam. Nochtans genas ik van mijn wonde in vijf dagen. Ik had een aanval op Parijs laten uitvoeren.

V: Was dat niet op een feestdag, die aanval?

A: Ik denk wel dat het op een feestdag was.

V: En je hebt op een feestdag laten aanvallen?

A: Andere vraag.

 

Proces van Jeanne d' Arc. Eerste ondervraging

Uit de originele processtukken, uitgegeven en in het Frans vertaald door Raymond Oursel, Le procès de condamnation de Jeanne d' Arc, Paris, 1954.

Woensdag 21 februari 1431

V: Wat is je naam en familienaam?

A: Thuis noemden ze me Jeannette. Sinds ik naar Frankrijk kwam, noemen ze mij Jeanne. Mijn familienaam ken ik niet.

V: Waar ben je geboren?

A: In Domrémy, dat verenigd is met Greux. De hoofdkerk staat in Greux.

V: Hoe heet je vader? En je moeder?

A: Mijn vader heette Jacques d' Arc. Mijn moeder heet Isabelle.

V: Waar ben je gedoopt?

A: In de kerk van Domrémy.

V: Wie zijn je peter en je meter?

A: Eén van mijn meters heette Agnès, een ander Jeanne, en nog een andere Sibylle. Eén van mijn peters heette Jean Lingué, een andere Jean Barrey. Ik heb nog andere meters, zo vertelde mijn moeder.

V: Wie is de priester die je gedoopt heeft?

A: Jean Minet, denk ik.

V: Leeft hij nog?

A: Ja, ik denk het wel.

V: Goed, hoe oud ben je?

A: negentien jaar, of daaromtrent. Mijn moeder heeft mij het Pater Noster, Ave Maria en Credo geleerd. Ik heb mijn geloof van niemand anders dan van mijn moeder geleerd.

V: Zeg het Pater Noster op, alsjeblieft.

A: Neem mij de biecht af, en ik zal het opzeggen.

(Bisschop Caucon dringt aan. Jeanne blijft weigeren.)

V: En als ik één of twee notabele personen van de Franse nationaliteit zou erbij halen, zou je dan het Pater Noster opzeggen?

A: Nee. Tenzij me ze de biecht zouden afnemen.

V: Welnu, luister goed, Jeanne. Het is je verboden om zonder onze toestemming de gevangenis in het kasteel van Rouen waarin je bent ondergebracht te verlaten.

A: Ik aanvaard geen enkel verbod. Als ik zou ontsnappen, kan niemand mij ervan beschuldigen dat ik mijn geloof zou verraden hebben. En ik protesteer tegen de boeien die ze me hebben aangedaan.

V: Dit is omdat je verschillende keren geprobeerd hebt te ontsnappen uit andere gevangenissen, waarin je werd opgesloten. Daarom, Jeanne, hebben we je in de boeien geslagen, opdat je op die manier beter zou bewaakt worden.

A: Het is waar, ik wou ontsnappen en ook nu, als ik dat zou willen. Elke gevangene heeft het recht om te ontsnappen.