25-08-07

Jeanne La Pucelle als krijgsvrouw

Ooggetuigenverslag van één van de gezellen van Jeanne d' Arc, de hertog van Alençon, in 1456, tijden het Rehabilitatieproces van Jeanne D' Arc. Het gaat om de aanval op Orléans in 1429.

Uit de originele processtukken van het Rehebilitatieproces van Jeanne d' Arc, in in het Frans vertaald door Raymond Oursel, Le procès de réhabilitation de Jeanne d' Arc, Paris, 1954.

De hogergenoemde hertog d' Aleçon verklaart:

"Ik kon de forten zien die voor Orléans [door de Engelsen] waren aangelegd, en hun kracht vaststellen. Het is meer door een mirakel dan door de macht der wapens dat we ze konden innemen, zo dunkt me.

Vooral het fort 'les Tourelles' (die de brug bewaakt) en het fort van de Augustijnen: Indien ik daar was geweest met een zwak garnizoen, had ik zes of zeven dagen zonder angst de machtigste troepen kunnen weerstaan, en ik denk niet dat ze me zouden liggen hebben gehad.

Trouwens, de soldaten en kapiteins die erbij waren schreven de gebeurtenissen in Orléans toe aan een mirakel van God en niet aan het werk van de mensen. Ik heb het meer dan eens horen zeggen van Meester Ambroise de Loré, die prevoost van Parijs was.

Ik zag Jeanne, sinds ze de Koning verlaten had, terug bij het opheffen van de belegering van Orléans. 

We verzamelden alle mannen van de Koning, tot 600 lansen, om op te rukken naar Jargeau, dat de Engelsen bezetten. Die nacht sliepen we in een bos. 's Morgens arriveerden andere koninklijke troepen, onder de leiding van de Bastaard van Orléans en heer Florent d' Illiers, alsook andere kapiteins. Bij het verzamelen bleken het ongeveer 1200 lansen te zijn.

Er was discussie onder de kapiteins, de enen waren van oordeel om de stad aan te vallen, de anderen om niets te doen,want, zeiden ze, de Engelsen waren daar in groten getale en kracht verzameld.

Jeanne, die deze discussie volgde, zei dat ze niets te vrezen hadden; dat men niet moest aarzelen om de Engelsen aan te vallen, want het was God die de zaak leidde; als ze er niet van overtuigd was dat God over de onderneming waakte, zo verzekerde ze ons, dan had ze liever de lammeren gehoed dan zich aan grote gevaren bloot te stellen.

Dus rukten we op naar Jargeau, met de bedoeling om de versterkingswerken in te nemen en er de nacht door te brengen. Toen de Engelsen onze aanval gewaarwerden, kwamen ze ons tegemoet, en, de eerste keer dreven ze de mannen van de Koning terug.

Toen Jeanne dit zag, nam ze haar banier en ging ten aanval, terwijl ze de soldaten aanmoedigde om dapper te zijn. Ze vochten zo hard dat we die nacht onze tenten opsloegen in Jargeau. En ik geloofde dat God deze aanval had geleid.! Want die nacht waren er bijna geen schermutselingen, in die zin dat, als de Engelsen een aanval hadden uitgevoerd, onze mannen in groot gevaar zouden verkeerd hebben.

Onze mensen stelden de artillerie op, lieten bombarden en belegeringswerktuigen aanrukken tegen de stad, voor als de dag zou komen, en hielden enkele dagen later krijgsraad om te beslissen hoe men de stad zou bevrijden. 

Tijdens deze beraadslaging, kwam men te weten dat La Hire gepraat had met heer Suffort, waarover ik en de leiders van de campagne niet tevreden waren. La Hire werd op het matje geroepen; hij kwam.

Na zijn aankomst werd besloten om aan te vallen. De herauten schreeuwden: 'Ten aanval', en Jeanne zelf zei tegen me: 'Vooruit, mooie hertog, ten aanval!' Ik was van oordeel dat de aanval te vroeg kwam. Jeanne repiceerde: 'Wees niet bang; het is het uur dat God behaagt; en als God het behaagt, dan is het tijd om in gang te schieten! Help jezelf, en de Hemel zal je helpen...'

En ze voegde daaraan toe: 'Ah! mooie hertog, ben je bang? Weet je niet meer dat ik aan je vrouw beloofd heb om je veilig en levend terug te brengen?'

Dat is waar, toen ik mijn vrouw verliet om mij bij de campagne van Jeanne te vervoegen, vroeg mijn vrouw aan Jeanne om over mij te waken; ze zei dat ik al eens krijgsgevangen genomen was, dat ik toen zoveel geld heb moeten betalen om mij vrij te kopen, dat ze me vroeg om deze keer niet te vertrekken.

Waarop Jeane zei: 'Mevrouw, wees niet bang. Ik zal hem veilig en levend terugbrengen, in dezelfde staat, of nog beter, dan hij vandaag is.'

Tijdens de aanval op Jargeau, bevond ik mij op een gegeven moment op een bepaalde plaats; Jeanne zei me toen om uit de weg te gaan. Als ik dit niet deed: 'Zie', zei ze, terwijl ze me een katapult in de stad liet zien, 'dat tuig zal je doden.' Ik ging weg, en even later op dezelfde plaats waar ik was en door dezelfde katapult, viel er een dode, Mgr. du Lude. Ik had er achteraf grote schrik van en was ten zeerste verwonderd door de woorden van Jeanne.

Daarna ging Jeanne ten aanval, en ik ging met haar mee. Toen we naderden, riep de graaf van Suffort [de Engelse gegercommandant] dat hij met mij wou spreken. We gaven hem geen gehoor en gingen door met de aanval. Jeanne was daar, op een aanvalsladder, met haar banier, en de banier werd geraakt. Jeanne kreeg zelf een steen tegen het hoofd die haar helm brak.

Ze viel [van de ladder] op de grond, en toen ze zich oprichtte, riep ze: 'Vrienden, vrienden, vlug, vlug! Onze Heer heeft de Engelsen veroordeeld. Nu zullen we ze hebben! Schep moed !' Toen werd Jargeau ingenomen en de Engelsen trokken zich terug naar de bruggen, achtervolgd door de Fransen. Bij de achtervolging doodden we meer dan 1100 man. "

(...)