18-07-09

Waarde van het geld: de middeleeuwen

Het is interessant na te denken over de psychologie van het geld. Je moet daarbij natuurlijk platitudes vermijden, zoals 'money rules the word', geld is macht, met geld kan je alles kopen, etc. De man in de straat weet natuurlijk wat geld is. Een briefje van 10 euro is 10 euro, en daar kan je dit en dat voor kopen. Geld heeft echter een heel lange geschiedenis, en het heeft millenia geduurd, vooraleer we geld kennen als papieren geld, en recenter digitaal geld; geld als cijfertjes op een computerscherm.

Duizenden jaren geleden kende de mens enkel ruilhandel: ik ruil twee varkens voor vier schapen, of een vat koren tegen twee baren koper, etc. In een latere fase van de ontwikkeling ontstaat geld in de vorm van gouden of zilveren munten. Goud en zilver zijn schaarse metalen, waardoor die een intrinsieke waarde hebben, in tegenstelling tot papiergeld. Munten in edele metalen kan je hersmelten tot zilverwerk, of er andere munten mee slaan. Goud en zilver behouden grosso modo hun waarde. Hun prijs kan wel variëren op de markt, maar ze zullen nooit volledig waardeloos worden. Dit in tegenstelling tot papiergeld, dat louter gebaseerd is op vertrouwen (hoewel men in de vroegste fase dit papiergeld in principe kon inwisselen tegen edele metalen).

Maar ook geld in de vorm van gouden en zilveren munten kon door de vorsten gemanipuleerd worden. Dit deden ze door het gehalte van edel metaal erin te verminderen. Laten we even spreken over het geld in de middeleeuwen. Sinds Karel de Grote, die in 800 Keizer werd van de Westerse christenheid, was het muntsysteem gebaseerd op: 1 pond=20 schellingen=240 denieren of penningen, waarbij 1 schelling=12 denieren of penningen.

Vermits de munten op edel metaal gebaseerd waren, is het gemakkelijk te begrijpen dat de benamingen van gewichten op die van de munten overging. 1 pond is nu nog 1/2 kilogram, en 1 pond is nog altijd de benaming van de Britse munt. Later gebruikte men de mark als monetaire gewichtseenheid. De mark is, zoals je wellicht nog weet, de benaming van de Duitse munt van voor de euro. Het eigenaardige pondensysteem, gebaseerd op een twintigdelig en twaalfdelig stelsel, kon je tot voor kort nog aantreffen in het Britse pondensysteem van pound, schilling en penny.

In de  vroege middeleeuwen, tot ongeveer 1250, was de denier de enige reële munt in omloop. Aanvankelijk bevatte de denier 1,71gram zilver. Ponden en schellingen bestonden enkel op papier. Ze waren boekhoudkundige begrippen die gebruikt werden om veelvouden van de klinkende denier weer te geven, steeds volgens hetzelfde schema van 1 pond=20schellingen=240 denieren. Een betaling die op papier 1 pond 6 schellingen bedroeg, werd in werkelijkheid vereffend met 312 zilveren denieren, zijnde 240 denieren voor het geboekte pond en zesmaal 12 denieren voor de geboekte 6 schellingen.

Na de dood van Karel de Grote was er de feodale verbrokkeling van het Karolingische eenheidsrijk. Er ontstonden territoriale vorstendommen, zoals het graafschap Vlaanderen, het hertogdom Brabant,  het graafschap Champagne, het hertogdom Normandië, etc. Al die vorsten begonnen hun eigen munten te slaan, want geld is altijd het voorrecht van de vorst geweest. Op valsemunterij -dit is als particulier munten namaken-, stonden verschrikkelijke straffen, zoals het levend koken.

Elke vorst sloeg zijn eigen munten, zoals de denier parisis (van de Franse koning), de denier lovens (van Leuven), de denier brussels, etc. Al die verschillende muntstukken zorden natuurlijk voor een grote monetaire verwarring. Want wat is de waarde van de denier parisis in denieren lovens? De vorsten begonnen weldra de zilverwaarde van de denier te verminderen, zodat een gedurige waardedaling van de zilveren muntstukken plaatsvond. terwijl de denier aanvankelijk 1,71 gram zilver bevatte, werden er muntstukken teruggevonden die slechts 0,87 gram zilver bevatten. De denier tournois (van de stad Tours) bevatte zodanig weinig zilver, dat die zwart uitsloeg. Men sprak dan ook van 'zwarten'.

De sterk gedevalueerde deniertjes volstonden niet meer om aan de behoeften van de internationale handel, die vanaf de 11de-12de eeuw opnieuw sterk groeide, te voldoen. De vorsten begonnen dan ook vanaf de 13de eeuw zware zilvermunten en gouden munten te slaan. In Engeland de sterling (denk aan het pond sterling), in Frankrijk de groot, in Florence de florijn (de gulden), en in Venetië de ducaat. De Franse groot werd in onze gewesten nagemaakt, zodat men sprak van de Vlaamse groot en de Brabantse groot.

Interessant is de economische oorlogsvoering tussen de vorsten, door het edel metaal in de munten te verlagen. Wanneer de ene vorst zilveren groten sloeg, kon de andere vorst dezelfde groten in omloop brengen, maar dan met een llchtjes lagere zilverinhoud. Door meer munten uit dezelfde hoeveelheid edel metaal te slagen, kon de vorst winst maken.

Bovendien was er nog een ander fenomeen dat bekend is onder de wet van Gresham: bad money drives out good money. Slecht geld doet het goede geld uit de circulatie verdwijnen. Stel dat munt A en munt B eenzelfde nominale waarde hebben van 1 groot, maar dat munt A meer zilver bevat dan munt B, dan gebeurt hetvolgende. Speculanten komen dat te weten en verzamelen de sterke munten A om die aan vorst B met winst te verkopen. Het muntatelier van vorst B hersmelt de sterke munten A om daarmee meer minderwaardige munten B te slaan met eenzelfde nominale waarde. De sterke munt A verdwijnt dus uit de circulatie om hersmolten te worden in minderwaardige munten.

Vorst A was daarop verplicht om eveneens de zilverinhoud van zijn eigen munten te verminderen, en zo verder. Zo ontstaat een devaluatiecascade, een voortdurende waardevermindering van het geld. Als het geld minder waard word, dan zijn er inflatoire spanningen in de economie, d.w.z. de prijzen voor consumptiegoederen stijgen. Anderzijds bleven de lonen stabiel, waardoor die aan koopkracht inboetten. Dit zorgde voor een verpaupering van de massa loonarbeiders en voor politieke en sociale beroering. Zo waren er in de 14de eeuw heel wat sociale revoltes in het graafschap Vlaanderen. Dit is daling van koopkracht en sociale beroering die uit monetaire instabiliteit voortspruit, d.i. knoeien met de waarde van het geld.

Tot slot: wat kunnen we uit dit verhaal onthouden? 1) geld bestaat niet in het luchtledige, het is altijd gebonden aan politieke macht. Alleen de overheid heeft het recht geld te creëren 2) speculatie heeft altijd bestaan, zij is de exponent van de hebzucht van de mens 3) de waarde van het geld is niet stabiel: de overheden kunnen ermee knoeien om hun eigen doelstellingen ten koste van de kleine man te realiseren. Het massaal bijdrukken van geld, vooral in Amerika, is daarvan een voorbeeld.