06-03-10
De Oranjes: een troon onder mijn kont
Er is vanaf vandaag een boeiend kostuumdrama van Nederlandse bodem op de televisie: De Troon, over de eerste Nederlandse koningen Willem I, II en III uit het huis van Oranje. Waarom breng ik dit hier? Omdat die eerste koning, Willem I ook voor België heel belangijk is geweest. Hij was namelijk koning van Nederland én Belgie, het Verenigd Koninkrijk der Nederlanden tussen 1814 en 1830. In dat laatse jaar brak de Belgische Revolutie uit, werden de Oranjes verdreven, en trachtte België zich op zijn eentje te handhaven tussen de Europese grootmachten, met een voor die tijd verregaande liberale grondwet.
Vandaag heb ik aflevering 1 gezien. De Oranjes waren voor 1789 stadhouders van 'Nederland', ze waren dus geen koningen. De Verenigde Provinciën waren een republiek, waar de soevereiniteit bij de Staten-Generaal lag, de afvaardiging van de Staten, d.i. de 'volksvergaderingen' van notabelen van de afzonderlijke staten, zoals Holland, Zeeland, Utrecht, etc. De stadshouders waren een soort monarchaal principe dat een zeker tegengewicht vormde tegen de Staten.
Tijdens de Franse tijd werden de Oranjes verdreven. Onder Napoleon waren de Oranjes één van de vele verarmde adellijke families, die bij statenbouwer en -breker Napoleon om een vorstemdom bedelden, desgevallend een koninkrijk. In 1814 was het zover en werd Willem I koning van de unie van Nederland en Belgie, het Verenigd Koninkrijk der Nederlanden. Hij heerste als een autoritair vorst, maar had grote belangstelling voor de economische ontwikkeling van konikrijk. Zo stichtte hij in 1822 de Société Générale, die nog steeds bestaat, en die grote aandeel had in de groei van de Waalse steenkoolmijnen, hoogovens en ijzerfabrieken: de Algemene Maatschappij ter bevordering van de Volksvlijt.
Een grappige, maar ook hoogst instructieve scène gaat over de rivaliteit tussen de zoon van Willem I, Prins Willem, en een telg uit éen van die vele kleine adellijke families die tuk waren op een troon: Leopold van Saksen-Coburg. Beiden dongen namelijk naar de hand van de dochter van de Britse koning. Die Leopold van Saksen-Coburg werd in 1830 de Eerste Belgische koning, Leopold I.
Het is mooi gemaakt drama, een kostuumdrama zoals men dit noemt. Het is natuurlijk geen politiek drama, maar tussen de regels door leert men toch interessante dingen over de politieke geschiedenis van België.
Volgende week zal zeker de Belgische Revolutie uit 1830 ter sprake komen. Daarna gaat het over het koningschap van Willem II en III. Dat is iets minder interessant voor ons, maar toch, hoe bv. Thorbecke in 1848 een liberale constitutie afdwong en de koninklijke macht terugdrong, dit alles behoort tot de standaardgeschiedenis van de Westerse democratieën.
Postludium
Ik analyseer graag trailers, omdat die een samengebalde filmische en emotionele kracht hebben. Af en toe film ik wat met mijn videocamera. De grootste moeilijkheid voor een amateur-filmmaker is de cameravoering. Eén ding heb ik al geleerd. Je mag niet inzoomen, dat is heel onprofessioneel (tenzij je een bepaald effect beoogt). Je beweegt ook best niet teveel met de camera, bv. van links naar rechts. Je dient een vast camerastandpunt in te nemen en enkele seconden film te schieten. Dat is denken in termen van shots. De shot is het basiselement van film.
Bij het monteren knip je best zoveel mogelijk onrelevante dingen weg, en behoudt de essentie van de shot. Als amateurfilmer en -monteur ben je bang om teveel te 'springen', d.w.z. shots elkaar te laten opvolgen zonder ogenschijnlijk verband. Als je ermee bezig bent, dan is de overgang tussen shots, zonder overgang, inderdaad bruusk. Maar wanneer je film bekijkt, dan doe je dat onbewust, en ben je je niet bewuwst van de overgangen tussen shots, zo werkt het medium film namelijk.
In deze trailer tel ik ongeveer 70 shots (ik zal er wel talloze over het hoofd gezien hebben). Er bestaan drie soorten shots:
1) long shots: de personages worden volledig in de ruimte getoond
2) medium of half shots: de personages worden ongeveer vanaf het midden van de borst gefilmd
3) close ups: men filmt enkel het gelaat van een personage (er bestaat nog een extreme close up: het filmen van bv. enkel de ogen, maar dit wordt minder gebruikt, tenzij om grote emotionele uitdrukking te suggereren)
Zo kan je de shots van een filmfragment analyseren, om ervan te leren: de afwisseling tussen long shots, medium shots en close ups: bv. L-M-M-M-C-C, enz...
22:23 Gepost door Johnsatyricon in algemeen | Permalink | Email dit | Tags: oranje, nederlands koningshuis, kostuumdrama, geschiedenis, willem i |
Facebook | |
Print
16-12-08
De val van Antwerpen
Ik heb mij de afgelopen weken geamuseerd met het maken van een kleine documentaire over de val van Antwerpen in 1585. In augustus 1585 capituleerde deze metropool voor de Spaanse commandant Alexander Farnese, na een beleg van één jaar. De pogingen van de Antwerpenaars en hun Nederlandse bondgenoten om de omsingeling te doorbreken, hadden alle gefaald. De stad kwam opnieuw in de greep van de dwingeland, koning Filips II van Spanje.
Dit militaire feit zou verreikende gevolgen hebben: de definitieve scheiding van Noord en Zuid, de afsluiting van de Schelde, en de degradatie van onze gewesten tot een dynastiek wingewest van de Spanjaarden, later van de Oostenrijkers. De Noordelijke Nederlanden daarentegen, het latere Nederland, groeiden in de 17de eeuw uit tot een maritieme, politiek-militaire en culturele grootmacht.
Het heeft weinig zin om achteraf te speculeren hoe het anders had kunnen geweest zijn, maar het is wel een leuke gedachtenoefening. Stel dat Antwerpen stand had gehouden tegen de tercios van Alexander Farnese, en dat we hadden kunnen aansluiten bij de economische en politieke dynamiek van de Verenigde Provincieën? De huidige Belgische en Nederlandse staatsgrenzen zijn immers vooral het resultaat van militaire krachtsverhoudingen eind 16de-begin 17de eeuw, niet de exponent van enig 'nationaal' gevoel. Zelfs in het Noorden waren de calvinisten, de drijvende kracht achter de opstand tegen Spanje, met hun 10% een absolute minderheid, en werden de katholieken verdrukt.
In dit fotoverhaal heb ik mij geconcentreerd op de militaire gebeurtenissen rond het beleg en de val van Antwerpen in 1584-1585, een verhaal dat in de vergetelheid is geraakt. Wie herinnert zich nog de brug van Farnese, deze scheepsbrug over de Schelde, waarmee de Spaanse generaal Antwerpen logistiek doodkneep? Een monument van militaire vindingrijkheid, die overal in Europa bewondering opriep. Half Europa volgde toen dat beleg, omdat de toekomst van de Nederlanden ervan afhing.
Het falen van de Antwerpenaars heeft veel te maken met de militaire incompetentie van zijn leider, de calvinist Marnix van Sint-Aldegonde. Hij was vooral een denker, een ideoloog en een theoloog. Hij zou naar verluidt mee aan de basis gelegen hebben van het latere Nederlandse volkslied, het Wilhelmus. Naast zijn falen om Antwerpen uit de paapse en tirannieke klauwen van de Spaanse koning te houden, is deze man een zeer interessant personage. Hij heeft veel ideologische tractaten geschreven tegen de Rooms-Katholieke religie, onder andere de 'Biekorf', een vlijmend spotschrift op de Katholieke Kerk.
Ook het gebrek aan internationale steun voor de Antwerpse zaak, het laatste bolwerk in de Zuidelijke Nederlanden tegen de Spaanse militair-diplomatieke pletwals, zette een grote domper op een succesvol verzet. Antwerpen was in essentie op zichzelf aangewezen, op haar eigen Engelse en Franse huurtroepen. Koningin Elisabeth I van Engeland stond wel sympathiek tegenover de Opstand in de Nederlanden, maar zij had andere katten te geselen, het onderdrukken van complotten, die door de Spanjaarden gesteund werden, die uiteindelijk, in 1588, tot de grote Armada zouden leiden.
Antwerpen had ook een tegenstander van formaat, Alexander Farnese, prins van Parma. Deze werd door vriend en vijand beschouwd als een zeer competent militair, en een gewiekst diplomaat. Anders dan zijn voorganger, de hertog van Alva, die met zijn schrikbewind de Nederlanden in het kamp van de opstand dreef, slaagde Farnese erin talloze steden te verleiden om zich opnieuw aan de koning te onderwerpen. En het dient gezegd: hij was zeer fair tegenover het verslagen Antwerpen: de protestanten kregen vier jaar de tijd om hun biezen te pakken.
Dit filmpje is gemaakt met Sony Vegas, een semi-professioneel videobewerkingsprogramma van 50 euro.
11:28 Gepost door Johnsatyricon in oorlog en terrorisme | Permalink | Email dit | Tags: farnese, vlaanderen, geschiedenis, val van antwerpen, antwerpen, marnix van sint-aldegonde, spanje, oorlog, brug van farnese, scheiding noord en zuidn nederland |
Facebook | |
Print
20-08-08
De Spaanse tercio 's: de slag van Rocroi (1643)
Ik heb dit clipje gekozen uit de film 'Alatriste', omdat het een goed beeld geeft van hoe de oorlogsvoering in de eerste helft van de 17de eeuw eraan toeging. Het speelt zich af tijdens de slag om Rocroi (1643), in de zoveelste oorlog tussen de aartsvijanden Spanje en Frankrijk.
De musketiers

De held van het verhaal, 'kapitein' Alatriste, een aan lager wal geraakte avonturier, maar een zeer dapper soldaat, is een musketier in het Spaanse leger. Bij musketiers denken wij spontaan aan de 'Drie musketiers' van Alexandre Dumas. We denken dat ze vooral met degens vochten. Maar neen, het waren elite-soldaten die gespecialiseerd waren in het schieten met musketten.
Sinds het eind van de middeleeuwen hadden de draagbare vuurwapens een grote ontwikkeling ondergaan. Uit de primitieve haakbus ontwikkelde zich de musket, een wapen dat zo zwaar was dat het met een vork ondersteund diende te worden tijdens het vuren.
Wat je ook heel goed ziet in het begin van dit clipje, is dat de musket diende aangestoken te worden met een brandende lont, een soort koord die om het geweer gewikkeld was, soms rond de linker- of rechterpols. Het was een hele klus om deze lont brandende te houden, en je ziet Alatriste erop blazen om hem brandend te houden.
Als de vijandelijke cavalerie naderde, plantten de musketiers hun vork in de grond, legden hun musket erop en staken de brandende lont in de kruitpan, waardoor het schot afging. Dan trokken ze zich snel terug en een volgende lijn van musketiers trad aan om te vuren.
De musketiers die zich hadden teruggetrokken, herlaadden hun wapens, dit betekende het reiningen van de loop met een laadstok, het gieten van fijn kruit in de kruitpan, grof kruit in de loop en tenslotte de kogel. Dit alles kostte verschrikkelijk veel tijd. We zijn nog zeer veraf van de automatische geweren, die wij uit Rambo-films gewoon zijn.
De tactische eenheid binnen het Spaanse leger was de tercio, grosso modo vergelijkbaar met het latere regiment, zo 'n 3000 man van piekeniers en musketiers. Over de musketiers hebben we het al gehad, maar wat was de functie van de piekeniers?
De piekeniers

Sinds de late middeleeuwen kwam het zwaartepunt in het gevecht langzamerhand bij de infanterie te liggen, terwijl voordien de gepansterde aristocratische ruiterij domineerde. De Zwitsers, Europa's meest geduchte huurlingen, ontwikkelden de tactiek van zware blokken met lange pieken gewapende infanteristen. Daartegen konden de gepansterde ruiters te pletter lopen.
De Spaanse tercios namen de tactiek van de piekeniers over. Zo 'n zware massa van met lange lansen gewapende soldaten was een geduchte eenheid. In dit filmpje hoor je, terwijl de Franse infanterie aanvalt, de Spaanse bevelhebber roepen: "picas!", waarna de eenheid zich omvormt tot een gigantisch stekelvarken, waar de ruiterij moeilijk doorheen kon komen.
De musketiers daarentegen vormden een mobiele eenheid die meestal op de hoeken of de flanken van de piekeniers stonden opgesteld. Ze konden zich daarnaartoe bewegen waar de druk op het blok van de piekeniers het grootst was. De musketiers vormden een ander soort soldaten dan de piekeniers. Piekeniers moesten vooral fysieke kracht en gehoorzaamheid hebben om de formatie in stand te houden, terwijl de musketiers meer op eigen verantwoordelijkheid beslissingen konden nemen.

Op gravures uit de 16de-17de eeuw zie je dikwijls die gigantische blokken van stekelvarkens van piekeniers. Het schilderij van Velasquez, dat de overgave van Breda (1625) aan de Spaanse bevelhebber Spinola voorstelt, wordt trouwens 'las lanzas' genoemd, omdat je daar weer die enorme lansen van de piekeniers op de achtergrond ziet.
Vlaanderen is de hel
Er is trouwens een mooi Spaans spreekwoord: poner una pica en Flandes: een piekenier in de Nederlanden inzetten, wat zoveel betekent als 'een hopeloze taak aanvatten' (wegens de onverzettelijkheid van de 'Nederlanders' tegen het Spaanse leger)...
Zeer interessant vond ik het gesprek van 'kapitein' Alatriste (die in Vlaanderen had gevochten) met Olivarez, de eerste minister van de Spaanse Koning Filips IV. Op de vraag van Olivarez wat hij over 'Flandes' denkt, antwoordt Alatriste:
"t Is het einde van de wereld, Excellentie.
Toen God Vlaanderen schiep, verlichtte hij 't met een zwarte zon, 'n ketterse zon, die je niet verwarmt, of je doorweekte botten droogt.
' t Is een raar land, bewoond door mensen die ons vrezen en verachten, die ons nimmer vrede zullen schenken.
Een Mens raakt er meer kwijt dan slaap.
Vlaanderen is de hel!"
Ik heb het volgende clipje gekozen, een ode door een Spanjaard aan de Spaanse tercios, die door vriend en vijand werden gevreesd en bewonderd. Het waren ongetwijfeld de dapperste soldaten van Europa uit die tijd, en ze werden als bijna-onoverwinnelijke beschouwd. Nochtans was het Spaanse leger uit die tijd een multinationaal leger. Naast de harde kern van Spanjaarden, waren er ook Duitse, Italiaanse en Waalse (!) tercios.
Ik vind het gewelidg hoe die kerel multimedia weet te bespelen, na die halve inuut Spaans gelul, dat ik niet begrijp. Maar dan geeft hij op elke eerste tel van de maat 4/4 een nieuw beeld. Gentlemen, dit is iets om te bestuderen, de relatie tussen beelden en muziek!
09:44 Gepost door Johnsatyricon in oorlog en terrorisme | Permalink | Email dit | Tags: spanje, leger, tercio, militair, geschiedenis, oorlog, frankrijk, musketiers, piekeniers, alatriste |
Facebook | |
Print
07-11-07
Mijn Indi nachtwinkel en de Sepoy-opstand

Soms overkomt mij een gevoel van opgenomen te zijn in het grote wereldhistorische proces. In mijn buurt zijn ettelijke nachtwinkels, hoofdzakelijk gerund door Indi 's en Pakistani 's. Ze halen hun winst hoofdzakelijk uit de verkoop van alcohol voor de verdorven Westerlingen die wij zijn. Zonet was ik in één van die nachtwinkels; de televisie staat daar altijd aan en ik hoor het getater in een mij onbekende taal. De gerant deed verontwaardigde gebaren, hij was het niet eens met wat er gezegd werd.
Ik vroeg hem welke taal hij sprak. Ik heb het allemaal niet zo goed begrepen, het was van 'Pakistani, Indi, Bengali'. We communiceerden in de Engelse taal, die mij zo lief is. Maar ik besefte dat we communiceerden in de taal van de Engelse kolonisator, die zo wreed het lichaam van de Indiaase cultuur in de 19de eeuw heeft verkracht.
Meerbepaald dacht ik aan de Sepoy-opstand uit 1858. Het Engelse leger in India bestond hoofdzakelijk uit autochtone Indi 's. Tot dan toe leefden de verschillende culturen en religies in een harmonieus samenlevingsverband.
Maar in de tweede helft van de 19de eeuw begonnen de Engelsen een 'beschavingsoffensief' onder het mom van de christelijke superioriteit. Indi 's werden als inferieur beschouwd, en om hun minachting voor de de Indi 's te affirmeren, introduceerden de Britten het gebruik van varkensvet voor de geweren van de autochtone eenheden, vet van varkens die in de Hindi- en Islam-traditie als onrein worden beschouwd.
Het was een vorm van symbolische oorlogsvoering met verreikende gevolgen. De autochtone sepoy-troepen kwamen in opstand, en slachtten genadeloos de Britten af.
Een tegenreactie van de Britse kolonisator kon natuurlijk niet lang uitblijven. Ze stuurden hun wreedste generaal naar India, en die liet tienduizenden Indi 's aan de bomen ophangen.
Om dit verhaal naar een algemener niveau op te trekken: begrijp dat er een heel groot ressentiment en wraakgevoel is in hoofde van de vroegere kolonies van het Westen. Zo kan je wellicht beter begrijpen wat er op 9/11 gebeurd is. Ik keur dat helemaal niet goed, ik ben wars van geweld, maar ik kan het wel begrijpen, en ik wil dat jij het ook begrijpt.
01:57 Gepost door Johnsatyricon in geschiedenis | Permalink | Email dit | Tags: geschiedenis, sepoy, india, engeland, imperialisme, koloniamisme |
Facebook | |
Print
29-08-07
De Feeënboom: derde ondervraging van Jeanne d' Arc
Uit de originele processtukken, uitgegeven en in het Frans vertaald door Raymond Oursel, Le procès de condamnation de Jeanne d' Arc, Paris, 1954.
Zaterdag 24 feruari 1431
(Het begin van dit verhoor is niet interessant voor een lezer van vandaag)
...
V: Je had graag een man geweest, niet? Toen je naar Frankrijk moest?
A: Ik heb u daarover al geantwoord.
V: Liet je de beesten op de wei grazen?
V: Ik heb u daarover al geantwoord. Als ik groot was en op de leeftijd des onderscheids, lette ik meestal niet op de beesten, maar ik hielp om hen naar de wei te leiden, en naar een kasteel genaamd l' Ile, toen we grote schrik hadden van de soldaten. Ik herinner mij niet meer of ik in mijn jonge jaren op de beesten lette of niet.
V: En die boom, weet je, in de nabijheid van het dorp?
A: Ja, vlakbij Domrémy is er een boom; men noemt hem de boom der Dames of soms ook de boom der feeën. Niet ver daarvandaan is er een bron. Ik heb gehoord dat de zieken daar gaan drinken en water putten, om hun gezondheid terug te krijgen. Dat heb ik met mijn eigen ogen kunnen zien. Maar of ze genezen of niet, dat zou ik u niet kunnen zeggen. Ik heb ook horen zeggen dat de zieken, als ze het kunnen, gaan wandelen onder de boom.
En het is een grote boom, een beuk, genaamd 'le Fay'; daarvan komt 'de mooie mei' (le beau mai); Hij hoort toe aan Meneer de Ridder Pierre de Bourlemont. Soms ging ik er met de andere meisjes naartoe, en maakte ik slingers voor het beeld van Notre Dame de Domrémy. De ouderen -niet die van mijn leeftijd- vertelden dat de feeën er verbleven. Ik heb gehoord van Jeanne Aubray, de vrouw van de burgemeester en mijn meter, dat ze daar de feeën had gezien. Maar ik weet niet of het waar is of niet. Nooit heb ik, voor zover ik weet, de feeën gezien aan de boom.Of ik hen ergens anders gezien heb, dat weet ik niet.
Ik heb meisjes zien bloemenkransen hangen op de takken van de boom, en soms deed ik dit ook. Soms namen we ze mee, soms lieten we ze daar. Toen ik wist dat ik naar Frankrijk moest, hield ik me nog weinig bezig met spelen en ravotten. Zo weinig mogelijk. Ik weet niet of ik, sinds de leeftijd des onderscheids, onder de boom heb gedanst. Het is mogelijk dat ik er met de andere meisjes heb gedansd; ik speelde meer dan ik danste.
Er is ook een bos, dat men le Bois-Chenu noemt. Men kan het zien vanuit het huis van mijn vader, op ongeveer een halve mijl. Ik heb nooit gehoord dat de feeën er kwamen praten; maar mijn broer vertelde dat men in Domrémy zei: 'Jeanne heeft haar boodschap van de boom der feeën gekregen.' Dit is niet waar. Ik heb hem gezegd dat het niet waar is. En toen ik bij de Koning kwam, waren er die vroegen of er in mijn land een bos was, dat le Bois Chenu heette: want volgens bepaalde profetieën, zou daarvandaan een meisje komen dat mirakelen zou verrichten. Maar ik, Jeanne, heb daar nooit in geloofd.
V: Zou je vrouwenkleren willen aantrekken?
A: Breng mij er één, en laat me gaan. Anders, nee. Ik ben tevreden met deze kleren, omdat het God behaagt dat ik ze draag.
Bekijk hier de eerste ondervraging van Jeanne d' Arc
17:59 Gepost door Johnsatyricon in geschiedenis | Permalink | Email dit | Tags: jeanne d arc, proces jeanne d arc, derde ondervraging jeanne d arc, feeenboom, jeanne d arc als kind, geschiedenis |
Facebook | |
Print
25-08-07
Jeanne La Pucelle als krijgsvrouw
Ooggetuigenverslag van één van de gezellen van Jeanne d' Arc, de hertog van Alençon, in 1456, tijden het Rehabilitatieproces van Jeanne D' Arc. Het gaat om de aanval op Orléans in 1429.
Uit de originele processtukken van het Rehebilitatieproces van Jeanne d' Arc, in in het Frans vertaald door Raymond Oursel, Le procès de réhabilitation de Jeanne d' Arc, Paris, 1954.
De hogergenoemde hertog d' Aleçon verklaart:
"Ik kon de forten zien die voor Orléans [door de Engelsen] waren aangelegd, en hun kracht vaststellen. Het is meer door een mirakel dan door de macht der wapens dat we ze konden innemen, zo dunkt me.
Vooral het fort 'les Tourelles' (die de brug bewaakt) en het fort van de Augustijnen: Indien ik daar was geweest met een zwak garnizoen, had ik zes of zeven dagen zonder angst de machtigste troepen kunnen weerstaan, en ik denk niet dat ze me zouden liggen hebben gehad.
Trouwens, de soldaten en kapiteins die erbij waren schreven de gebeurtenissen in Orléans toe aan een mirakel van God en niet aan het werk van de mensen. Ik heb het meer dan eens horen zeggen van Meester Ambroise de Loré, die prevoost van Parijs was.
Ik zag Jeanne, sinds ze de Koning verlaten had, terug bij het opheffen van de belegering van Orléans.
We verzamelden alle mannen van de Koning, tot 600 lansen, om op te rukken naar Jargeau, dat de Engelsen bezetten. Die nacht sliepen we in een bos. 's Morgens arriveerden andere koninklijke troepen, onder de leiding van de Bastaard van Orléans en heer Florent d' Illiers, alsook andere kapiteins. Bij het verzamelen bleken het ongeveer 1200 lansen te zijn.
Er was discussie onder de kapiteins, de enen waren van oordeel om de stad aan te vallen, de anderen om niets te doen,want, zeiden ze, de Engelsen waren daar in groten getale en kracht verzameld.
Jeanne, die deze discussie volgde, zei dat ze niets te vrezen hadden; dat men niet moest aarzelen om de Engelsen aan te vallen, want het was God die de zaak leidde; als ze er niet van overtuigd was dat God over de onderneming waakte, zo verzekerde ze ons, dan had ze liever de lammeren gehoed dan zich aan grote gevaren bloot te stellen.
Dus rukten we op naar Jargeau, met de bedoeling om de versterkingswerken in te nemen en er de nacht door te brengen. Toen de Engelsen onze aanval gewaarwerden, kwamen ze ons tegemoet, en, de eerste keer dreven ze de mannen van de Koning terug.
Toen Jeanne dit zag, nam ze haar banier en ging ten aanval, terwijl ze de soldaten aanmoedigde om dapper te zijn. Ze vochten zo hard dat we die nacht onze tenten opsloegen in Jargeau. En ik geloofde dat God deze aanval had geleid.! Want die nacht waren er bijna geen schermutselingen, in die zin dat, als de Engelsen een aanval hadden uitgevoerd, onze mannen in groot gevaar zouden verkeerd hebben.
Onze mensen stelden de artillerie op, lieten bombarden en belegeringswerktuigen aanrukken tegen de stad, voor als de dag zou komen, en hielden enkele dagen later krijgsraad om te beslissen hoe men de stad zou bevrijden.
Tijdens deze beraadslaging, kwam men te weten dat La Hire gepraat had met heer Suffort, waarover ik en de leiders van de campagne niet tevreden waren. La Hire werd op het matje geroepen; hij kwam.
Na zijn aankomst werd besloten om aan te vallen. De herauten schreeuwden: 'Ten aanval', en Jeanne zelf zei tegen me: 'Vooruit, mooie hertog, ten aanval!' Ik was van oordeel dat de aanval te vroeg kwam. Jeanne repiceerde: 'Wees niet bang; het is het uur dat God behaagt; en als God het behaagt, dan is het tijd om in gang te schieten! Help jezelf, en de Hemel zal je helpen...'
En ze voegde daaraan toe: 'Ah! mooie hertog, ben je bang? Weet je niet meer dat ik aan je vrouw beloofd heb om je veilig en levend terug te brengen?'
Dat is waar, toen ik mijn vrouw verliet om mij bij de campagne van Jeanne te vervoegen, vroeg mijn vrouw aan Jeanne om over mij te waken; ze zei dat ik al eens krijgsgevangen genomen was, dat ik toen zoveel geld heb moeten betalen om mij vrij te kopen, dat ze me vroeg om deze keer niet te vertrekken.
Waarop Jeane zei: 'Mevrouw, wees niet bang. Ik zal hem veilig en levend terugbrengen, in dezelfde staat, of nog beter, dan hij vandaag is.'
Tijdens de aanval op Jargeau, bevond ik mij op een gegeven moment op een bepaalde plaats; Jeanne zei me toen om uit de weg te gaan. Als ik dit niet deed: 'Zie', zei ze, terwijl ze me een katapult in de stad liet zien, 'dat tuig zal je doden.' Ik ging weg, en even later op dezelfde plaats waar ik was en door dezelfde katapult, viel er een dode, Mgr. du Lude. Ik had er achteraf grote schrik van en was ten zeerste verwonderd door de woorden van Jeanne.
Daarna ging Jeanne ten aanval, en ik ging met haar mee. Toen we naderden, riep de graaf van Suffort [de Engelse gegercommandant] dat hij met mij wou spreken. We gaven hem geen gehoor en gingen door met de aanval. Jeanne was daar, op een aanvalsladder, met haar banier, en de banier werd geraakt. Jeanne kreeg zelf een steen tegen het hoofd die haar helm brak.
Ze viel [van de ladder] op de grond, en toen ze zich oprichtte, riep ze: 'Vrienden, vrienden, vlug, vlug! Onze Heer heeft de Engelsen veroordeeld. Nu zullen we ze hebben! Schep moed !' Toen werd Jargeau ingenomen en de Engelsen trokken zich terug naar de bruggen, achtervolgd door de Fransen. Bij de achtervolging doodden we meer dan 1100 man. "
(...)
18:33 Gepost door Johnsatyricon in geschiedenis | Permalink | Email dit | Tags: jeanne d arc, la pucelle, de maagd van lotharingen, jeanne d arc als geniale krijgsvrouw, alencon, orleans, geschiedenis, middeleeuwen |
Facebook | |
Print
Trailer Luc Besson Jeanne d' Arc 'The Messenger'
Waarschuwing: dit clipje is niet geschikt voor -14 jarigen en ook niet voor gevoelige mensen, omdat die zeer gewelddadige scènes bevat!
Trailers zijn zeer efficiënte methode om het succes van films en bij uitbreiding multimediale blogs te promoten. Onderzoek het belang van populaire harde muziek. Die bieden een nieuwe dimensie toe aan de trailer. Zorg ervor dat trailers niet te lang, zijn, verklap niet teveel beelden, zeker niet over de afloop van de film.
Persoonlijk vind ik deze trailer iets te lang en te gewelddadig. Hij toont veel gewelddadige beelden die nu eenmaal goed verkopen. De middeleeuwen waren een gewelddadige tijd, maar zijn we zoveel beter geworden?
Het andere aspect van Jeanne, haar visioenen, haar 'stemmen', stond ze echt in contact met God of was ze psychotisch?, haar hoogmoed "You fought for yourself, Jeanne"-"No!" is nu éénmaal moeilijke visueel in kaart te brengen.
16:58 Gepost door Johnsatyricon in geschiedenis | Permalink | Email dit | Tags: trailer, geschiedenis, clip, dailymotion, luc besson, the messenger, film, jeanne d arc, middeleeuwen, videoclip, youtube |
Facebook | |
Print
24-08-07
Proces Jeanne d' Arc: eerste ondervraging
Uit de originele processtukken, uitgegeven en in het Frans vertaald door Raymond Oursel, Le procès de condamnation de Jeanne d' Arc, Paris, 1954.
Woensdag 21 februari 1431
V: Wat is je naam en familienaam?
A: Thuis noemden ze me Jeannette. Sinds ik naar Frankrijk kwam, noemen ze mij Jeanne. Mijn familienaam ken ik niet.
V: Waar ben je geboren?
A: In Domrémy, dat verenigd is met Greux. De hoofdkerk staat in Greux.
V: Hoe heet je vader? En je moeder?
A: Mijn vader heette Jacques d' Arc. Mijn moeder heet Isabelle.
V: Waar ben je gedoopt?
A: In de kerk van Domrémy.
V: Wie zijn je peter en je meter?
A: Eén van mijn meters heette Agnès, een ander Jeanne, en nog een andere Sibylle. Eén van mijn peters heette Jean Lingué, een andere Jean Barrey. Ik heb nog andere meters, zo vertelde mijn moeder.
V: Wie is de priester die je gedoopt heeft?
A: Jean Minet, denk ik.
V: Leeft hij nog?
A: Ja, ik denk het wel.
V: Goed, hoe oud ben je?
A: negentien jaar, of daaromtrent. Mijn moeder heeft mij het Pater Noster, Ave Maria en Credo geleerd. Ik heb mijn geloof van niemand anders dan van mijn moeder geleerd.
V: Zeg het Pater Noster op, alsjeblieft.
A: Neem mij de biecht af, en ik zal het opzeggen.
(Bisschop Caucon dringt aan. Jeanne blijft weigeren.)
V: En als ik één of twee notabele personen van de Franse nationaliteit zou erbij halen, zou je dan het Pater Noster opzeggen?
A: Nee. Tenzij me ze de biecht zouden afnemen.
V: Welnu, luister goed, Jeanne. Het is je verboden om zonder onze toestemming de gevangenis in het kasteel van Rouen waarin je bent ondergebracht te verlaten.
A: Ik aanvaard geen enkel verbod. Als ik zou ontsnappen, kan niemand mij ervan beschuldigen dat ik mijn geloof zou verraden hebben. En ik protesteer tegen de boeien die ze me hebben aangedaan.
V: Dit is omdat je verschillende keren geprobeerd hebt te ontsnappen uit andere gevangenissen, waarin je werd opgesloten. Daarom, Jeanne, hebben we je in de boeien geslagen, opdat je op die manier beter zou bewaakt worden.
A: Het is waar, ik wou ontsnappen en ook nu, als ik dat zou willen. Elke gevangene heeft het recht om te ontsnappen.
20:57 Gepost door Johnsatyricon in geschiedenis | Permalink | Email dit | Tags: jeanne d arc, eerste ondervraging jeanne d arc, domremy, de maagd van lotharingen, la pucelle, politiek proces, middeleeuwen, geschiedenis |
Facebook | |
Print
Joan of Arc: saint, heroine and martyr
Joan of Arc is a character who chills me to my deepest marrow. She has something that touches a deep archetypical root within me.
Just like me, she was a warrior, she only wanted the Good for her society, but she became the victim of her own succes and vanity. As a result, she was burnt at the stake as a witch and heretic in front of the Cathedral of Rouen, on May 31st 1431.
18:26 Gepost door Johnsatyricon in geschiedenis | Permalink | Email dit | Tags: jeanne d arc, brandstapel, hekserij, ketterij, 19-jarige jeanne d arc op de brandstapel, middeleeuwen, geschiedenis |
Facebook | |
Print
06-06-07
Geschiedenis van het bloggen op Canvas

09:47 Gepost door Johnsatyricon in grappige foto's | Permalink | Email dit | Tags: humor, grappig, bloggers, bloggen, geschiedenis, cultuurgeschiedenis, monniken |
Facebook | |
Print
15-04-07
Jeanne d' Arc als krijgsvrouw
Ooggetuigenverslag van één van de gezellen van Jeanne d' Arc, de hertog van Alençon, in 1456, tijden het Rehabilitatieproces van Jeanne D' Arc. Het gaat om de aanval op Orléans in 1429.
Uit de originele processtukken van het Rehebilitatieproces van Jeanne d' Arc, in in het Frans vertaald door Raymond Oursel, Le procès de réhabilitation de Jeanne d' Arc, Paris, 1954.
Ik kon de forten zien die voor Orléans [door de Engelsen] waren aangelegd, en hun kracht vaststellen. Het is meer door een mirakel dan door de macht der wapens dat we ze konden innemen, zo dunkt me. Vooral het fort 'les Tourelles' (die de brug bewaakt) en het fort van de Augustijnen: Indien ik daar was geweest met een zwak garnizoen, had ik zes of zeven dagen zonder angst de machtigste troepen kunnen weerstaan, en ik denk niet dat ze me zouden liggen hebben gehad. Trouwens, de soldaten en kapiteins die erbij waren schreven de gebeurtenissen in Orléans toe aan een mirakel van God en niet aan het werk van de mensen. Ik heb het meer dan eens horen zeggen van Meester Ambroise de Loré, die prevoost van Parijs was.
Ik zag Jeanne, sinds ze de Koning verlaten had, terug bij het opheffen van de belegering van Orléans. We verzamelden alle mannen van de Koning, tot 600 lansen, om op te rukken naar Jargeau, dat de Engelsen bezetten. Die nacht sliepen we in een bos. 's Morgens arriveerden andere koninklijke troepen, onder de leiding van de Bastaard van Orléans en heer Florent d' Illiers, alsook andere kapiteins. Bij het verzamelen bleken het ongeveer 1200 lansen te zijn. Er was discussie onder de kapiteins, de enen waren van oordeel om de stad aan te vallen, de anderen om niets te doen,want, zeiden ze, de Engelsen waren daar in groten getale en kracht verzameld.
Jeanne, die deze discussie volgde, zei dat ze niets te vrezen hadden; dat men niet moest aarzelen om de Engelsen aan te vallen, want het was God die de zaak leidde; als ze er niet van overtuigd was dat God over de onderneming waakte, zo verzekerde ze ons, dan had ze liever de lammeren gehoed dan zich aan grote gevaren bloot te stellen. Dus rukten we op naar Jargeau, met de bedoeling om de versterkingswerken in te nemen en er de nacht door te brengen. Toen de Engelsen onze aanval gewaarwerden, kwamen ze ons tegemoet, en, de eerste keer dreven ze de mannen van de Koning terug. Toen Jeanne dit zag, nam ze haar banier en ging ten aanval, terwijl ze de soldaten aanmoedigde om dapper te zijn. Ze vochten zo hard dat we die nacht onze tenten opsloegen in Jargeau. En ik geloofde dat God deze aanval had geleid.! Want die nacht waren er bijna geen schermutselingen, in die zin dat, als de Engelsen een aanval hadden uitgevoerd, onze mannen in groot gevaar zouden verkeerd hebben.
Onze mensen stelden de artillerie op, lieten bombarden en belegeringswerktuigen aanrukken tegen de stad, voor als de dag zou komen, en hielden enkele dagen later krijgsraad om te beslissen hoe men de stad zou bevrijden. Tijdens deze beraadslaging, kwam men te weten dat La Hire gepraat had met heer Suffort, waarover ik en de leiders van de campagne niet tevreden waren. La Hire werd op het matje geroepen; hij kwam. Na zijn aankomst werd besloten om aan te vallen. De herauten schreeuwden: 'Ten aanval', en Jeanne zelf zei tegen me: 'Vooruit, mooie hertog, ten aanval!' Ik was van oordeel dat de aanval te vroeg kwam. Jeanne repiceerde: 'Wees niet bang; het is het uur dat God behaagt; en als God het behaagt, dan is het tijd om in gang te schieten! Help jezelf, en de Hemel zal je helpen...'
En ze voegde daaraan toe: 'Ah! mooie hertog, ben je bang? Weet je niet meer dat ik aan je vrouw beloofd heb om je veilig en levend terug te brengen?' Dat is waar, toen ik mijn vrouw verliet om mij bij de campagne van Jeanne te vervoegen, vroeg mijn vrouw aan Jeanne om over mij te waken; ze zei dat ik al eens krijgsgevangen genomen was, dat ik toen zoveel geld heb moeten betalen om mij vrij te kopen, dat ze me vroeg om deze keer niet te vertrekken. Waarop Jeane zei: 'Mevrouw, wees niet bang. Ik zal hem veilig en levend terugbrengen, in dezelfde staat, of nog beter, dan hij vandaag is.'
Tijdens de aanval op Jargeau, bevond ik mij op een gegeven moment op een bepaalde plaats; Jeanne zei me toen om uit de weg te gaan. Als ik dit niet deed: 'Zie', zei ze, terwijl ze me een katapult in de stad liet zien, 'dat tuig zal je doden.' Ik ging weg, en even later op dezelfde plaats waar ik was en door dezelfde katapult, viel er een dode, Mgr. du Lude. Ik had er achteraf grote schrik van en was ten zeerste verwonderd door de woorden van Jeanne.
Daarna ging Jeanne ten aanval, en ik ging met haar mee. Toen we naderden, riep de graaf van Suffort dat hij met mij wou spreken. We gaven hem geen gehoor en gingen door met de aanval. Jeanne was daar, op een aanvalsladder, met haar banier, en de banier werd geraakt. Jeanne kreeg zelf een steen tegen het hoofd die haar helm brak. Ze viel tegen de grond, en toen ze zich oprichtte, riep ze: 'Vrienden, vrienden, vlug, vlug! Onze Heer heeft de Engelsen veroordeeld. Nu zullen we ze hebben! Schep moed !' Toen werd Jargeau ingenomen en de Engelsen trokken zich terug naar de bruggen, achtervolgd door de Fransen. Bij de achtervolging doodden we meer dan 1100 man.
(...)
14:42 Gepost door Johnsatyricon in ernstige teksten | Permalink | Email dit | Tags: geschiedenis, middeleeuwen, jeanne d arc, cultuurgeschiedenis, frankrijk, la pucelle, riddertijd, heksen, kastelen |
Facebook | |
Print
Proces van Jeanne d' Arc. Derde ondervraging
Uit de originele processtukken, uitgegeven en in het Frans vertaald door Raymond Oursel, Le procès de condamnation de Jeanne d' Arc, Paris, 1954.
Zaterdag 24 feruari 1431
(Het begin van dit verhoor is niet interessant voor een lezer van vandaag)
...
V: Je had graag een man geweest, niet? Toen je naar Frankrijk moest?
A: Ik heb u daarover al geantwoord.
V: Liet je de beesten op de wei grazen?
V: Ik heb u daarover al geantwoord. Als ik groot was en op de leeftijd des onderscheids, lette ik meestal niet op de beesten, maar ik hielp om hen naar de wei te leiden, en naar een kasteel genaamd l' Ile, toen we grote schrik hadden van de soldaten. Ik herinner mij niet meer of ik in mijn jonge jaren op de beesten lette of niet.
V: En die boom, weet je, in de nabijheid van het dorp?
A: Ja, vlakbij Domrémy is er een boom; men noemt hem de boom der Dames of soms ook de boom der feeën. Niet ver daarvandaan is er een bron. Ik heb gehoord dat de zieken daar gaan drinken en water putten, om hun gezondheid terug te krijgen. Dat heb ik met mijn eigen ogen kunnen zien. Maar of ze genezen of niet, dat zou ik u niet kunnen zeggen. Ik heb ook horen zeggen dat de zieken, als ze het kunnen, gaan wandelen onder de boom.
En het is een grote boom, een beuk, genaamd 'le Fay'; daarvan komt 'de mooie mei' (le beau mai); Hij hoort toe aan Meneer de Ridder Pierre de Bourlemont. Soms ging ik er met de andere meisjes naartoe, en maakte ik slingers voor het beeld van Notre Dame de Domrémy. De ouderen -niet die van mijn leeftijd- vertelden dat de feeën er verbleven. Ik heb gehoord van Jeanne Aubray, de vrouw van de burgemeester en mijn meter, dat ze daar de feeën had gezien. Maar ik weet niet of het waar is of niet. Nooit heb ik, voor zover ik weet, de feeën gezien aan de boom.Of ik hen ergens anders gezien heb, dat weet ik niet.
Ik heb meisjes zien bloemenkransen hangen op de takken van de boom, en soms deed ik dit ook. Soms namen we ze mee, soms lieten we ze daar. Toen ik wist dat ik naar Frankrijk moest, hield ik me nog weinig bezig met spelen en ravotten. Zo weinig mogelijk. Ik weet niet of ik, sinds de leeftijd des onderscheids, onder de boom heb gedanst. Het is mogelijk dat ik er met de andere meisjes heb gedansd; ik speelde meer dan ik danste.
Er is ook een bos, dat men le Bois-Chenu noemt. Men kan het zien vanuit het huis van mijn vader, op ongeveer een halve mijl. Ik heb nooit gehoord dat de feeën er kwamen praten; maar mijn broer vertelde dat men in Domrémy zei: 'Jeanne heeft haar boodschap van de boom der feeën gekregen.' Dit is niet waar. Ik heb hem gezegd dat het niet waar is. En toen ik bij de Koning kwam, waren er die vroegen of er in mijn land een bos was, dat le Bois Chenu heette: want volgens bepaalde profetieën, zou daarvandaan een meisje komen dat mirakelen zou verrichten. Maar ik, Jeanne, heb daar nooit in geloofd.
V: Zou je vrouwenkleren willen aantrekken?
A: Breng mij er één, en laat me gaan. Anders, nee. Ik ben tevreden met deze kleren, omdat het God behaagt dat ik ze draag.
13:14 Gepost door Johnsatyricon in ernstige teksten | Permalink | Email dit | Tags: geschiedenis, dultuurgeschiedenis, middeleeuwen, jenne d arc, la pucelle, frankrijk, riddertijd, kastele, heksen |
Facebook | |
Print
Proces van Jeanne d' Arc. Tweede ondervraging
Uit de originele processtukken, uitgegeven en in het Frans vertaald door Raymond Oursel, Le procès de condamnation de Jeanne d' Arc, Paris, 1954.
Donderdag 22 februari 1431
V: Hoe oud was je toen je het ouderlijk huis verliet?
A: Dat weet ik niet meer.
V: Heb je in je jeugd een beroep aangeleerd?
A: Ja, spinnen en naaien. Als het op spinnen en naaien aankomt, kan geen enkele vrouw uit Rouen mij de baas.
Omwille van de Bourgondiërs verliet ik het huis van mijn vader en ging ik naar Neufchateau in Lotharingen. Ik verbleef bij een vrouw, genaamd 'de Rosse' Ik bleef er vijftien dagen.
Als ik bij mijn vader was, hield ik me bezig met het huishouden. Ik ging niet naar het veld met de schapen en de andere beesten.
V: Ging je elk jaar je zonden opbiechten?
A: Ja, aan meneer Pastoor. Als hij belet was, bij een andere priester, met zijn toestemming. Soms twee of drie maal, als ik me goed herinner. Ik biechtte ook bij bedelmoniken. Dat was in Neufchateau. Met Pasen ontving ik het sacrament van de Eucharistie.
V: En ontving je die ook bij andere feesten dan Pasen?
A: Andere vraag.
Toen ik dertien jaar was, hoorde ik een Stem die van God kwam, om me te leiden en te begeleiden. De eerste keer was ik heel bang. De Stem kwam rond het middaguur. Het was in de zomer, in de tuin van mijn vader. Ik had geen nuchtere maag, en de dag voordien had ik ook niet gevast.
Ik hoorde een Stem, rechts van mij, langs de kant van de kerk. Bijna altijd is er een helderheid die haar begeleidt. Dit licht is langs dezelfde kant waar men de Stem hoort. Meestal is er daar een groot licht.
Toen ik in Frankrijk was, hoorde ik dikwijls de Stem. De eerste keer was er licht.
V: Hoe kan je dit licht zien, omdat het van opzij komt?
A: Andere vraag.
Als ik in een bos was, kon ik ook de Stem tot mij horen komen.
De Stem was goed hoorbaar. Ik denk dat ze door God gezonden is. Na haar drie maal gehoord te hebben, begreep ik dat het de stem van een engel was.
De Stem heeft altijd goed voor mij gezorgd, en ik heb haar altijd goed begrepen.
V: Welke raad gaf de Stem voor het heil van je ziel?
A: Om mij goed te gedragen, om naar de kerk te gaan. Ze zei me dat het noodzakelijk was dat ik, Jeanne, naar Frankrijk ging.
Maar vandaag zal u niet uit mij trekken onder welke vorm de Stem aan mij verscheen.
Twee, driemaal per week zei de Stem me dat ik moest vertrekken en naar Frankrijk gaan.
Dat mijn vader niets mocht weten van mijn vertrek.
De Stem zei me naar Frankrijk te gaan, en ik kon het niet meer uithouden waar ik was. De Stem zei me om het beleg van Orléans op te heffen. Ze zei me om naar Robert de Laudricourt te gaan, de kapitein van die plaats. Dat hij me mensen zou geven die me zouden begeleiden.
Ik antwoordde haar dat ik een arm meisje was dat niets wist van paardrijden of oorlogvoeren. Toen ging ik naar mijn oom. Ik wou er een tijdje blijven. Ik bleef er ongeveer acht dagen. Ik zei tegen mijn oom dat ik naar Vaucouleurs moest gaan. En mijn oom bracht mij daarheen.
Toen ik aankwam ik Vaucouleurs, herkende ik Robert de Baudricourt, en nochtans had ik hem nooit gezien. Het is de Stem die mij hem deed herkennen. De Stem zei me dat hij het was. Ik zei tegen Robert dat ik naar Frankrijk moest gaan.
Tweemaal weigerde hij en joeg me weg. De derde maal gaf hij me mensen. De Stem had mij vooraf gezegd dat het zo zou gebeuren.
De hertog van Lotharingen riep mij bij zich. Ik ging ernaar toe. Ik zei hem dat ik naar Frankrijk wou gaan. De hertog vroeg me om hem te genezen (want hij was ziek). Ik antwoordde hem dat ik daar niets van wist. Over mijn geplande reis zei ik weinig. Ik vroeg hem om mij zijn zoon en andere mensen te geven om me te begeleiden naar Frankrijk, dat ik tot God zou bidden voor zijn gezondheid. Ik was er met een vrijgeleide naartoe gegaan, en ik kwam op dezelfde manier in Vaucouleurs terug.
Ik vertrok uit Vaucouleurs en ik arriveerde in Saint-Urbain, waar ik de nacht in de abdij doorbracht. Ik droeg mannenkleren. Baudricourt had mij een zwaard gegeven, ik had geen andere wapens. Een schildknaap en vier sergeanten begeleidden me.
Onderweg passeerde ik langs Auxerre. Ik hoorde er de mis in de kathedraal. Op dat moment hoorde ik dikwijls mijn Stemmen.
V: Op wiens raad heb je mannenkleren aangetrokken?
(Jeanne weigert herhaaldelijk op die vraag te antwoorden. Tenslotte roept ze uit: 'Ik zal aan niemand een zo zware last toevertrouwen!' Dan vervolgt ze haar verhaal.)
A: Robert de Baudricourt had mijn compagnons laten zweren dat ze over mijn veiligheid zouden waken. Tegen mij zei Robert: 'Ga, ga, en laat gebeuren wat er moet gebeuren.'
.....
A: Ik geraakt zonder moeilijkheden tot bij de Koning. Bij het naderen van Sainte-Catherine de Fierbois, zond ik een letter naar Chinon, waar de Koning zetelde. Ik kwam er rond het middaguur aan, en logeerde in de herberg. Na het avondeten ging ik naar de Koning, in het kasteel. Toen ik de zaal binnentrad, herkende ik hem tussen de anderen, volgens het advies van mijn Stemmen, die mij hem aanwezen. Ik zei tegen de Koning dat ik wou oorlog voeren tegen de Engelsen.
V: Toen de Stem jou je Koning aanwees, was er dan licht op die plaats?
A: Andere vraag.
V: Zou het kunnen dat je een engel boven de Koning zag?
A: Bespaar mij dat. Andere vraag.
Alvorens de Koning mij aan het werk zette, had ook hij veel verschijningen en openbaringen.
V: Welke openbaringen, welke verschijningen?
A: Dat zal ik u niet zeggen. U kan nog geen antwoord verwachten. Ga naar de Koning en vraag het hem.
De Stem had mij beloofd dat de Koning mij zou ontvangen vanaf mijn aankomst. Die van onze partij wisten goed dat de Stem mij door god was gezonden. Ze konden de stem horen en haar kennen: ja, dat weet ik, ik ben er zeker van. De Koning, en heel wat anderen met hem, konden de Stem horen en zien, toen die tot mij kwam. Charles de Bourbon was er, en twee of drie anderen.
Er gaat geen dag voorbij zonder dat ik de Stem hoor, en ik heb haar nodig. Nooit heb ik haar andere beloning gevraagd dan het heil van mijn ziel.
Zij is het die me opgedragen had om in Saint-Denis te blijven. En ik wou daar blijven. Maar de kapiteins namen me mee tegen mijn wil. Als ik niet gewond was geweest, had ik Saint-Denis nooit verlaten. Ik was gewond geraakt bij de belegering van Parijs, toen ik van Saint-Denis kwam. Nochtans genas ik van mijn wonde in vijf dagen. Ik had een aanval op Parijs laten uitvoeren.
V: Was dat niet op een feestdag, die aanval?
A: Ik denk wel dat het op een feestdag was.
V: En je hebt op een feestdag laten aanvallen?
A: Andere vraag.
12:18 Gepost door Johnsatyricon in ernstige teksten | Permalink | Email dit | Tags: proces, geschiedenis, cultuurgeschiedenis, middeleeuwen, riddertijd, kastelen, heksen, frankrijk, jeanne d arc, la pucelle |
Facebook | |
Print
Proces van Jeanne d' Arc. Eerste ondervraging
Uit de originele processtukken, uitgegeven en in het Frans vertaald door Raymond Oursel, Le procès de condamnation de Jeanne d' Arc, Paris, 1954.
Woensdag 21 februari 1431
V: Wat is je naam en familienaam?
A: Thuis noemden ze me Jeannette. Sinds ik naar Frankrijk kwam, noemen ze mij Jeanne. Mijn familienaam ken ik niet.
V: Waar ben je geboren?
A: In Domrémy, dat verenigd is met Greux. De hoofdkerk staat in Greux.
V: Hoe heet je vader? En je moeder?
A: Mijn vader heette Jacques d' Arc. Mijn moeder heet Isabelle.
V: Waar ben je gedoopt?
A: In de kerk van Domrémy.
V: Wie zijn je peter en je meter?
A: Eén van mijn meters heette Agnès, een ander Jeanne, en nog een andere Sibylle. Eén van mijn peters heette Jean Lingué, een andere Jean Barrey. Ik heb nog andere meters, zo vertelde mijn moeder.
V: Wie is de priester die je gedoopt heeft?
A: Jean Minet, denk ik.
V: Leeft hij nog?
A: Ja, ik denk het wel.
V: Goed, hoe oud ben je?
A: negentien jaar, of daaromtrent. Mijn moeder heeft mij het Pater Noster, Ave Maria en Credo geleerd. Ik heb mijn geloof van niemand anders dan van mijn moeder geleerd.
V: Zeg het Pater Noster op, alsjeblieft.
A: Neem mij de biecht af, en ik zal het opzeggen.
(Bisschop Caucon dringt aan. Jeanne blijft weigeren.)
V: En als ik één of twee notabele personen van de Franse nationaliteit zou erbij halen, zou je dan het Pater Noster opzeggen?
A: Nee. Tenzij me ze de biecht zouden afnemen.
V: Welnu, luister goed, Jeanne. Het is je verboden om zonder onze toestemming de gevangenis in het kasteel van Rouen waarin je bent ondergebracht te verlaten.
A: Ik aanvaard geen enkel verbod. Als ik zou ontsnappen, kan niemand mij ervan beschuldigen dat ik mijn geloof zou verraden hebben. En ik protesteer tegen de boeien die ze me hebben aangedaan.
V: Dit is omdat je verschillende keren geprobeerd hebt te ontsnappen uit andere gevangenissen, waarin je werd opgesloten. Daarom, Jeanne, hebben we je in de boeien geslagen, opdat je op die manier beter zou bewaakt worden.
A: Het is waar, ik wou ontsnappen en ook nu, als ik dat zou willen. Elke gevangene heeft het recht om te ontsnappen.
10:43 Gepost door Johnsatyricon in ernstige teksten | Permalink | Email dit | Tags: geschiedenis, jeanne d arc, la pucelle, frankrijk, cultuurgeschiedenis, riddertijd, middeleeuwen, heksen, ridders, kastelen |
Facebook | |
Print
30-10-06
Een gegeven paard kijk je niet in de bek


