11-03-13

Alle Soldaten unter dem Hügel!

Omdat ik met mijn buren in een verschrikkelijk conflict verwikkeld ben over geluidsoverlast,  heb ik veel agressieve dromen over politie, oorlog en soldaten.

We zijn in de Tweede Wereldoorlog. Ik ben in het leger; ik behoor tot een onduidelijke, hybride groep van half-burgers, half-soldaten met groene uniformen. Mijn vriend echter behoort tot de "echte" soldaten: hij draagt het uniform van de Britse soldaten in Waterloo, een echte redcoat, met rood uniform, zwarte sjako en musket met lange bajonet. Ik hoor hem tot zijn kameraden zeggen dat hij soldaat zijn een heerlijk beroep vindt. Maar we zijn allebei rekruten, nog groentjes.

We zijn in Mechelen, mijn geboortestad. De Duitsers zijn aan het terugtrekken. Overal zijn burgers. Er wordt een tramspoor aangelegd, waarover een belangrijk transport moet rijden. Maar ik zie een saboteur in burger: met een spuitbus spuit hij iets op de sporen om ze te vernielen. Ik roep tegen de omstaanders: Een saboteur, een saboteur!

Er ligt een soort boogvormig halletje in plastiek, waaronder burgers schuilen. Ik hoor duidelijk een meisje roepen: Alle Soldaten unter dem Hügel! De Duitse soldaten moeten zich blijkbaar terugtrekken onder dit halletje, der Hügel, wat heuvel betekent. Maar daar zijn burgers. Of zijn die burgers Duitse soldaten? Of zijn wij het, die beschutting moeten zoeken onder dit halletje, m.a.w. onze kop in het zand steken?

Ik ben met mijn vriend in een beschutte positie. Nu heeft hij zijn rood uniform niet aan; we zijn beiden in burger. We bespreken de situatie. Hij wil een granaat in het halletje gooien. Niet doen!, zeg ik, daar zijn burgers! De droomcamera, het standpunt, springt naar een metaniveau. Ik ben aan het doceren. Wat we nu aan het doen zijn, zeg ik tegen mijn vriend, bevindt zich op het niveau van de sectie, zo 'n vijf à zes man. In onverwachte situaties kan je twee dingen doen, ofwel de hogere commandoniveau 's inlichten, ofwel op eigen initiatief handelen (dit is de droomstof die rechtsreeks over mijn reële probleemsituatie zou kunnen gaan). We moeten doorstoten naar de haven van Antwerpen, zeg ik, terwijl we ons onder de Brusselpoort in Mechelen bevinden. Dat is een goed idee, zegt mijn vriend. Maar de Duitsers zitten al met hun handen op de ontsteker om de haven in de lucht te doen springen, zeg ik, en ik doe het gebaar na. Ik zeg het niet tegen mijn vriend, maar ik weet dat het verzet in Boom onze tanks met een list over de bruggen van de Rupel zullen leiden, alvorens de Duitsers de hendel van de springinstallaties kunnen neerdrukken (ik ben enkele dagen geleden in Boom geweest, waar je het standbeeld van die verzetsheld kan zien. Ook tram ik dagelijks langs tramhaltes met namen die aan die episode herinneren, zoals bv. Kolonel Silvertop, de Britse tankcommandant die de Antwerpse haven bevrijdde).

Deze droom had ik vannacht. De nacht daarvoor solliciteerde ik bij de politie. De vraag was wie zou ingedeeld worden bij de "gewone" politie -uniform, zeggen ze in het Engels-, of bij de recherche -in burger-. Ik wil heel graag bij de recherche en detective worden. Het is een vrouwelijke politieofficier die de selectie doet. Ik sta op een goed blaadje bij haar, ja, er is een zekere affectieve spanning tussen haar en mij. I wil heel graag de nieuwe Frost worden, zeg ik tegen haar (Jack Frost, de onconventionele detective uit de gelijknamige Britse politieserie, die enkele jaren geleden mijn favoriet was). Er is een soort discussie onder de kandidaten. Iemand zegt iets en ik antwoord daarop: ja, maar is dit relevant voor deze situatie. Voila, zegt de vrouwelijke politieofficier, dat is wat we nodig hebben bij de recherche, en ik denk aan nieuwsgierigheid, het zoeken naar relevante bewijzen. Dan is er een scène waarbij we allen dronken zijn, en ik denk: het is een test om te zien of we onder extreme spanning kunnen functioneren.

Dan is er nog een voorval uit mijn reële leven. Ik was op de bewonersraad van ons appartementsgebouw, om daar de problemen over geluidsoverlast te brengen. Ik zei ook dat ik al twee jaar aan het wachten ben op naamplaatjes. Woon jij al twee jaar bij ons? Ik heb je nog nooit gezien. Ik ben een stille jongen zeg ik. 

Een stille, zegt de voorzitster. Ik vond dat zo 'n ambivalente, beladen uitspraak. Zoals je misschien weet, of ook niet, is een stille iemand van de staatsveiligheid, een informant, een spion, een mol.

Een stille zijn, dat lijkt me wel leuk. Ja, mijn ogen zien alles; misschien moet ik daar wel echt iets mee doen.

06:20 Gepost door Johnsatyricon | Permalink | Commentaren (0) |  Print |  Facebook | |

De commentaren zijn gesloten.