09-03-13

Moord in Kumtich, 1776

Dit is work in progress, het verwerken van een gerechtelijk vooronderzoek, de informatien preparatoir, van een moord te Kumtich op 15 september 1776. Beschouw het maar als een moordverhaal in afleveringen, zoals het in de 19de eeuw de gewoonte was.

Volgende getuigen worden door de gerechtsofficier van Kumtich verhoord:

1. Joanna Catharina Huts, echtgenote van Henricus Warthel, inwoner van Roosbeek, oud tussen de 24 en 25 jaar

  Zondag 15 september 1776. Joanna Catharina Huts verblijft ter gelegenheid van de kermis bij haar oom Joannes Huts in Breissem, in het ressort van Kumtich. Rond zeven uur ’s avonds vraagt deze aan Joanna of zij zijn dochter en de jongelingen wil gaan halen om samen in zijn woning “vrolijk te zijn”.
  Ten huize van Guilliam Devroeije, eveneens in Breissem, treft zij haar nicht Elisabeth Huts aan, haar eigen broer en nog enige personen. Joanna zegt tegen haar nicht:
- Elisabeth, uw vader heeft gezegt dat ge naar huis moet komen om salaet te komen eten, en de jongelingen mogen meekomen om samen vrolijk te zijn.
  Joanna vraagt ook Joannes Vranckx mee te komen. Die vraagt:
- Wat zal de vrouw pijsen dat ik daar kom doen? Waarop Joanna Catharina antwoordt:
- Zij zal blij zijn u te zien.
  Joannes vraagt de jongelieden of zij ook meekomen. Ja, zeggen ze, als de dans gedaan is. De jongeman neemt Joanna 's nicht, Elisabeth, bij de hand of de arm en samen gaan ze naar het huis van Joanna 's oom, gevolgd door het gezelschap van jongelieden. Ze passeren de stichel, toen eensklaps achter Joanna komen aanlopen Guilliam Smolders en een manspersoon in een linnen kiel met benen knoppen, waarvan zij later heeft horen zeggen dat deze de knecht is van Smolders. De knecht stoot Joanna van de stickel weg, om er als eerste over te springen.
 - Ge zijt zo gepresseert, lacht Joanna, gaat ge naar het hooi? Ja, zegt de knecht. De knecht en Smolders springen over de stickel en lopen over de baan langs de kapel waar Joannes Vranckx en haar nicht Elisabeth waren. Dan hoort Joanna roepen, zonder te kunnen onderscheiden wie dit zegt:
- Gij zijt het die we moeten hebben!
Zij hoort slagen vallen, wel vijf tot zes, en Joannes roepen: 
- Genade, want ik heb u niets misdaan! 
  Joanna geeft haar kind aan haar zuster en spoedt zich naar de plaats waar ze de slagen heeft horen vallen. Daar vindt ze, op de hoek van het kerkhof, Joannes Vranckx, die geheel bebloed is. Ze trekt hem recht en hij zegt:
- Ach, was ik maar thuis.
- Gij zoudt onderweg sterven, laten we eerst zien wat ge hebt.
  Ze leidt hem naar het huis van haar oom, dat daar niet ver vandaan is.
- Wel Jan, wie heeft u dat gedaan?
- Smolders' jongens. 
Ze vraagt hem of hij ruzie met hen heeft gehad. Neen, zegt hij, ik weet van geen ruzie. 

Joanna zag dat hij hevig bloedde, zodanig dat zijn kazak en hemd vol bloed waren. Daarom liep zij met haar nicht en Barbara Geussens naar het huis van genoemde Devroeij, waar zij chirurgijn Verdaet gezien hadden, om hem te gaan halen en Vranckx te laten vermaecken. Deze ging met hen mee, verbond het slachtoffer in het huis van Joanna 's oom, waar intussen veel volk was toegestroomd. Daaronder was ook Jacobus Vranckx, broer van Joannes. Beiden lamenteerden en Jacobus vroeg aan zijn broer:
- Broer, wie heeft u dat gedaan? Hebt gij iemand iets misdaan?
- 't Zijn Smolders' jongens die het mij aangedaan hebben. 

Joanna zat met het kind op haar schoot en heeft verder niet gelet op wat er gebeurde. Kort daarna ging ze naar de omheining van genoemde Huts, samen met enkele andere meisjes. Toen kwam Cornelis Smolders en Jan van Renghen daar aan, met tussen heb beiden de dochter van Juliaan Vanham. Getuige hoort hen spreken van ruzie en dat Cornelis Smolders slaag heeft gehad. Joanna vraagt:
- Hebt gij een gat in uw hoofd?
- Neen.
- Vranckx' zoon is in huis; daar is een chirurgijn bezig hem te verzorgen, gij hebt perijckel, komt ook in huis, hij zal verzorgen.
Hij antwoordde dat er geen perikel was. Daarna ging hij met de dochter de weg op en Van Renghen ging de weg af naar de kant van Collaerts.

Joanna ging weer naar binnen in het huis van haar oom. Zij zag dat Jacobus Vranckx ook een gat in zijn hoofd had en door de chirurgijn verbonden werd. Zij verklaart verder dat, toen zij omtrent de barrière was gekomen, en zei dat de chirurgijn bezig was Vranckx' zoon te verbinden, zij hoorde zeggen dat de zonen van Smolders Guilliam Vranckx hadden afgeslagen. Ze zegt tegen Smolders:
- 't Is misschien daarom dat zij u ook geslagen hebben?
- Nee, ik heb geen zier gedaan. Ze zeggen dat mijn broer en onze knecht het gedaan hebben.
- Is dat uw knecht die die lijnwaden kiel met benen knoppen aanhad?
- Ja.

2. Joannes Franciscus Merckx van Kumtich, omtrent 20 jaar

Joannes Franciscus Merckx was vanaf de namiddag in de herberg van Guilliam Devroeij binnen Breissem, in de jurisdictie van de baronnie van Kumtich. Omdat het kermis in het gehucht was en hij bevriend was met Devroeij, bleef hij daar overnachten. Die namiddag zag hij daar ook beide zonen van Smolders, de ene genaamd Guilliam, de andere Cornelis; verder ook nog Machiel Vandenberghe, zoon van Joannes Baptista, allen inwoners van Kumtich en ook de twee zonen van Francis Vranckx de oude van Roosbeek, met name Jan Francis en Jacobus, Francis Geens, zoon van de molenaar, Verdaet en anderen.

Bij het vallen van de avond nam Joannes in een kleine kamer het avondmaal. Daarna ging hij samen met zijn broer, zijn nicht en enkel anderen die hij niet kende, uit die kamer in het huis. Op dat moment kwamen Jacobus Vranckx en enkele anderen binnen; het juiste aantal daarvan kan hij niet zeggen. Zonder enig wantrouwen over ruzie of vechtpartijen, volgde Joannes hem tot in de grote kamer, waar hij Spaelde, de speelman, zag. Plots heft Jacobus Vranckx zijn stok in de lucht en slaat ermee, zonder dat Joannes kan zien of iemand getroffen wordt. Hij vlucht weg en hoort nog meerdere slagen vallen. Ook de anderen vluchten weg uit de grote kamer. Enkelen van Vranckx’ gezelschap slaan met stokken op enkele mensen die zich terugtrekken. Joannes ziet dat Vranckx zijn stok opgeheven houdt, maar hij kan niet zeggen of hij na de eerste slag nog geslagen zou hebben. Ook weet hij niet of iemand van de slagen ter aarde gevallen is, behalve enigen die door het dringen door de deur elkaar omver waren gelopen.

Vranckx en zijn gezellen komen terug in de kamer. Joannes ziet dat Vranckx hevig bloedt. De vrouw van Guilliam Devroeij wast het bloed uit en ziet daarbij een groot gat op het bovenste gedeelte van zijn hoofd. De vrouw legt daar een wiek van brandewijn op en verbindt het hoofd met een neusdoek. Joannes hoort Vranckx zeggen dat hij niet geeft om het gat in zijn hoofd. De omstaanders vragen naar de reden van die ruzie of dat gevecht. Vranckx antwoordt: “Ze mogen mijn broer niet zo heimelijk afslagen. Ezels dat ze zijn!” Ze vragen wie dat gedaan heeft. Vranckx: “Die van Smolders”. Joannes hoort Vranckx nog zeggen dat hij bij de eerste slag iemand afgeslagen heeft, maar hij zegt niet wie.

(wordt vervolgd)

Bron: Rijksarchief Anderlecht, Officie-Fiscaal, Portefeuilles, nr.1290.

09:31 Gepost door Johnsatyricon | Permalink | Commentaren (0) |  Print |  Facebook | |

De commentaren zijn gesloten.