07-02-11
De graphe van het Verlangen
Vanmorgen besefte ik plots dat ik de graphe van het Verlangen al gezien heb. Jaren geleden had X hem al getekend op het bord. Hij zei dat de figuur "ik kan/ik kan niet" betekende. Ik begreep er niet veel van, maar belangrijker was dat de tekening onwillekeurig aan een penis deed denken, die in een holte binnendrong. Ik had al eens gehoord over de Phallus van Lacan. Was 'em dit? En was dit het geheim van de mens? Later bespraken we nog dikwijls al giechelend deze ervaring.
Dit was de 'flits' die ik vanmorgen had: het beeld dat X op het bord had getekend, was geen penis, maar de graphe van het Verlangen van Lacan. De graphe van het Verlangen zijn twee krommen ('vectoren') die elkaar snijden. X had de eerste kromme nogal lang in de hoogte getekend, zodat hij wel een penis leek, terwijl de bovenste kromme in mijn verbeelding de holte, de 'vagina' voorstelde. Wellicht liet X de term 'Phallus' vallen, want later lachten we dat X een 'phallocraat' was.
De 'echte' graphe van het Verlangen heeft niet in de eerste plaats een sexuele connotatie. De eerste kromme stelt de behoefte aan communicatie van het subject voor, de tweede kromme staat voor de taal. Het snijden van de twee krommen in de Graphe van het Verlangen symbolyseert dat het subject de intentie heeft om iets mee te delen, maar daarvoor een beroep moet doen op de taal, de 'keten van betekenaars'. Zijn intentie moet zich inhaken in de woorden, de ketting van betekenaars, en door het spel van de taal gaat een groot deel van zijn intentie, van de bedoelde betekenis verloren. Er blijft na de communicatie een 'rest' over, een 'gebrek', het zich niet begrepen of erkend voelen. Dit is het 'verlangen' dat onbevredigd blijft, dat steeds blijft woekeren.
Ik verwonder mij ten zeerste waarom ik uitgerekend vanmorgen deze flits kreeg, waarin ik associatief de 'Phallus' van X associeerde aan de Graphe van het Verlangen. Dit is de werking van het onbewuste, dat onbegrijpelijk blijft, dat aan onze controle ontsnapt. Zo ontstaat betekenis, op het niveau van het betekende, onder de oppervlakte van de taal, de woorden, de begrippen. In het (onbewuste) brein worden verbindingen gelegd tussen psychische ervaringen, is er een gewoel van stukjes geheugen, terwijl op het niveau van de woorden, de betekenaars, de materiële oppervlakte van de taal alles onveranderd blijft.
Iets begrijpen is dus niet de letterlijkheid, de materialiteit, de fysicaliteit van de woorden in je opnemen, maar dit chaotische gewoel in het onbewuste, dat volledig aan onze controle ontsnapt.
05-02-11
Inktpotten en fauteuils: de attributen van de filosofen
Het is leuk om eens na te gaan welke voorbeelden filosofen gebruiken om hun gortdroge, abstracte theorieën enigszins aanschouwelijk te maken.
Edmund Husserl (1859-1938) heeft het over papier, boeken, pennen en een inktpot (!), om aan te tonen dat een waarnemingsobject (het papier) altijd een achtergrond heeft (boeken, pennen en inktpotten), waartegen dit object verschijnt.
Jean-Paul Sartre (1905-1980) verkiest sigaretten (!) om te spreken over het verschil tussen het pre-reflexieve bewustzijn en het zelfbewustzijn: de kettingroker telt twaalf sigaretten (ongetwijfeld zware Gauloises) in zijn pakje, tijdens zijn act van zelfbewustzijn.
Luce Irigaray (1930) heeft heeft over un fauteuil (!) en une chaise, om haar bewering te staven dat de sexuele machtsverschillen tussen mannen en vrouwen reeds in de taal is ingebakken. Un fauteuil is mannelijk, une chaise is vrouwelijk. Un fauteuil wordt door de maatschappij hoger gewaardeerd dan een simpele chaise. Un fauteuil is luxueuzer en ornamenteler, maar une chaise is nuttiger en praktischer.
Zo kennen we de filosofen: papier, boeken, pennen, inktpotten, sigaretten, fauteuils en stoelen. Alleen de potten koffie ontbreken nog in deze biotoop van arm-chair philosophers (maar is het een fauteuil of een stoel?).
Waarmee aangetoond is dat filosofen zelfs in deze Freudiaanse slip of the tongue, in de keuze van hun voorbeelden, niet verder komen dan hun miserabele studeerkamertje...


Print