05-02-11

Inktpotten en fauteuils: de attributen van de filosofen

Het is leuk om eens na te gaan welke voorbeelden filosofen gebruiken om hun gortdroge, abstracte theorieën enigszins aanschouwelijk te maken.

Edmund Husserl (1859-1938) heeft het over papier, boeken, pennen en een inktpot (!), om aan te tonen dat een waarnemingsobject (het papier) altijd een achtergrond heeft (boeken, pennen en inktpotten), waartegen dit object verschijnt.

Jean-Paul Sartre (1905-1980) verkiest sigaretten (!) om te spreken over het verschil tussen het pre-reflexieve bewustzijn en het zelfbewustzijn: de kettingroker telt twaalf sigaretten (ongetwijfeld zware Gauloises) in zijn pakje, tijdens zijn act van zelfbewustzijn.

Luce Irigaray (1930) heeft heeft over un fauteuil (!) en une chaise, om haar bewering te staven dat de sexuele machtsverschillen tussen mannen en vrouwen reeds in de taal is ingebakken. Un fauteuil is mannelijk, une chaise is vrouwelijk. Un fauteuil wordt door de maatschappij hoger gewaardeerd dan een simpele chaise. Un fauteuil is luxueuzer en ornamenteler, maar une chaise is nuttiger en praktischer.

Zo kennen we de filosofen: papier, boeken, pennen, inktpotten, sigaretten, fauteuils en stoelen. Alleen de potten koffie ontbreken nog in deze biotoop van arm-chair philosophers (maar is het een fauteuil of een stoel?).

Waarmee aangetoond is dat filosofen zelfs in deze Freudiaanse slip of the tongue, in de keuze van hun voorbeelden, niet verder komen dan hun miserabele studeerkamertje...

00:28 Gepost door Johnsatyricon | Permalink | Commentaren (0) |  Print |  Facebook | |

De commentaren zijn gesloten.