24-05-10
Bismarck en de Duitse eenheid
In onze kleinste dorpjes vindt men oorlogsmonumenten van '14-'18 ' en '40-45'. Ik was eens in Eupen, en daar vond ik een monument van nog oudere oorlogen. De streek Eurpen-Malmédy behoorde tot het Pruisisch-Duitse Rijk, en werd pas na het verdrag van Versailles aan België toegekend, bij wijze van compensatie voor geleden schade.
Het ging om monumenten van de Frans-Duitse oorlog uit 1870-1871, en zelfs een nog oudere oorlog, de Duitse broederstrijd uit 1866. Dit was een episode uit de eenmaking van Duitsland in de 19de eeuw.
Duitsland was begin 19de eeuw een verzameling van ongeveer dertig staten en staatjes, die los verbonden waren in de Duitse Bond. De machtigste staten waren het Pruisische koninkrijk in het noorden en het Oostenrijkse keizerrijk in het zuiden.
In de nasleep van de verpletterende nederlaag van Pruisen door de Franse troepen bij Jena (1806), ontstond het Duitse nationalisme. Velen verlangden de eenmaking van het Duitse volk, om de vernedering te wreken.
Vooral studenten waren hierin actief (de Burschenschaften). In 1848 braken overal in Europa opstanden uit, die tot doel hadden een liberaler politiek regime te installeren, en de macht van de vorsten af te bouwen. Zo ook in Duitsland. Er werd een volksparlement bijeengeroepen in de Sint-Pauluskirche in Frankfurt. Het werd smalend het 'professorenparlement' genoemd, omdat er zoveel professoren, intellectuelen en journalisten zetelden. Er werd gedebatteerd over de groot-Duitse oplossing (mét Oostenrijk), en de klein-Duitse oplossing (zonder Oostenrijk). Uiteindelijk mislukte de Duitse eenmaking van onderuit, omdat de vorsten dit niet wilden.
Het zou aan de Ijzeren Kanselier Bismarck zijn, kanselier van de Pruisische koning, om de Duitse eenmaking te bewerkstelligen. Niet door parlementen, liberalisme en democratie, maar "durch Blut und Eisen", door oorlog dus. In een eerste fase liet hij het Deense Schleswig-Holstein annexeren (1864), na een korte oorlog met Denemarken. Dit riep verzet op vanwege Oostenrijk, die de macht van Pruisen vreesde. Uiteindelijk kwam het tot een inter-Duitse oorlog tussen Pruisen en haar bondgenoten van de Noordduitse bond versus Oostenrijk en de Zuidduitse bond (Beieren, Baden, Würtenberg, etc.).
Deze oorlog in 1866 liet de militaire en technologische superioriteit van het Pruisische leger zien. Dit had een machtig instituut ontwikkeld, de Generale Staf, die zich met alle mogelijk operationele en logistieke problemen bezighield. Von Moltke, Chef van de generale staf, liet drie legergroepen apart oprukken, hetgeen gemakkelijker was dan ze gezamenlijk te laten oprukken. Die drie legergroepen hergroepeerden zich in Köninggrätz (in het huidige Tjechië), waar de slag zou geleverd worden. De Pruisen verpletterden de rechterflank van de Oostenrijkers en hun bondgenoten. Deze konden, om de nederlaag te vermijden, enkel een tegenaanval doen.
Hier bleek de superioriteit van de Pruisische wapentechnologie. De geweren van de Oostenrijkers waren nog ouderwetse voorladers. Dit betekent: rechtopstaande de loop met een stok reinigen, met de tanden een zakje poeder openscheuren, het kruit in de loop gieten, een kogel in de kloop steken, en alles goed aanstampen. Dit kostte heel veel tijd, zelfs als de soldaat goed geoefend was. Het feit dat de soldaten altijd rechtopstaand moesten laden en schieten, maakte hen heel kwetsbaar.
De Pruisische troepen daarentegen beschikten over moderne achterladers, de zgn. naaldgeweren. De kartouche (kogel+kruid verenigd) werd achterin ingebracht, zoals in een modern geweer. Bij het overhalen van de trekker sloeg een pin in de kartouche, waardoor het kruit ontbrandde, en de kogel uit de loop schoot. Door deze methode konden de Pruisische soldaten liggend schieten en in dekking blijven.
Uiteraard werden de Oostenrijkers en hun bondgenoten verpletterend verslagen. De Pruisische koning wou grondgebied van de Oostenrijkers afpakken, maar de machtspoliticus Bismarck wou zich terug verzoenen met de Oostenrijkers, omdat hij ze nodig zou hebben. De piste-Bismarck haalde het. De Pruisische dominantie binnen de Duitse Bond was definitief gevestigd.
Er was nog één oorlog nodig, deze tegen Frankrijk, om de definitieve Duitse eenheid te vestigen. Ook de vorsten van de Zuidduitse bond schaarden zich aan de zijde van Pruisen. Behalve de sprookjeskoning van Beieren, Ludvig II. Bismarck was voldoende geslepen machtspoliticus om de zwakheden en ijdelheden van mensen uit te buiten. De sprookjeskastelen van de Beierse koning kostten handen vol geld. In een geheime clausule beloofde Bismarck de sprookjeskastelen van Ludvig II te betalen met Pruisisch belastinggeld, waardoor hij hem over de streep trok, om mee tegen Frankrijk te vechten.
Frankrijk werd verpletterend verslagen, weeral door het militair vernuft van de Duitse stafchef Von Moltke. Het regime van Keizer Napoleon III stortte in elkaar. Er kwam een volksopstand in Parijs, de commune, die door het Franse leger bloedig in elkaar geslagen werd.
In de spiegelzaal van Versailles werd de Pruisische koning tot Duits Keizer gekroond door de Duitse vorsten. Tot op het laatst was er discussie over de juiste titel: 'Duits keizer' of 'keizer van Duitsland' (hetgeen grotere machtsaanspraken symboliseert). Uiteindelijk legde de Pruisische koning onder invloed van de Duitse vorsten zich neer bij de titel 'Duits keizer', hij werd keizer Wilhelm I.
Bismarck was uiterst succesvol geweest om Duitsland van bovenaf te verenigen, maar hij was minder succesvol in zijn binnenlandse politiek. Hij kreeg het aan de stok met de socialisten en de katholieken, maar hij legde ook de grondslag van de huidige Duitse welvaartsstaat, door een verplicht ziekte-, werkloosheid- en pensioensstelsel...


Print
Post een commentaar