15-04-10

De lust van de ander

Wanneer men het psychoanalytische denken tot in zijn merg laat doorklinken, an ontdekt men dat die (gelukkig!) ook een praktische betekenis heeft. Immes de psychoanalyse is in de eerste plaats geen theorie, nog minder een filosofie, maar een praktijk, het helpen van de zieke medemens. De psychoanalyticus is (al dan niet formeel) een lid van de medische gilde, maw hij heeft de eed van Hippocrates gezworen dat hij de zieke mens zal helpen. 

De psychoanalyse is een therapie, een metthode om het lijden van de zieke mens draaglijker te maken. Slechts in laatste instantie is het een filosofie of een cultuurtheorie. Zo is het bv. duidelijk dat Lacan filosofers is gericht dan Freud. De teksten van Freud zijn relatief gemakkelijk te lezen, tenminste wanneer men ervoor open staat een een bepaalde ontwikkeling achter de rug heeft. Men herkent in Freud meer dan in Lacan de medicus, meer nog de neuroloog. Voor zover ik mij kan herinneren startte Freud zijn neuroloog, als bestudeerder van het zenuwstelsel, ja ik denk zelfs van het zenuwstelsel van pieren, of tenminste van lagere diersoorten. Vandaar de oude associatie van psychiater met 'zenuwarts' en psychisch zieke mensen als 'zenuwzieken. Men herkent nog zeer sterk de wetenschapper van het zenuwstelsel in 'Jenseits des Lustprinzips' uit 1920. Termen als spanningsafvoer, het organisme tendeert naar het evenwicht van de laagst mogelijke spanning. Ja, de lust is iets dat het organisme als onaangenaam ervaart, dat via lustbevrediging zo snel moet vernietigd worden, de spanningsexcitatie moet zo snel mogelijk afgevoerd worden.

Maar ik merk dat ik weeral aan het verschuiven ben. Wat ik wil zeggen is dat het psychoanalytisch gedachtengoed ook voor de gewone mens, wier ziek-zijn van het leven niet zo sterk is dat hij in therapie moet gaan, zoals ik, ook een praktische betekenis kan hebben. Je zou voor minder, want de psychoanalyse is in de eerste plaats een therapie (di een methode tot genezen). Wat ik hier wil schrijven is dat bepaalde gedachten van Lacan een praktische betekenis krijgen in mijn levensfeitelijke wereld. Bv. de visie van Lacan op de taal.

Lacan was sterk beïnvloed door de Zwitserse linguïst De Saussure. Die zegde dat de taal in de eerste plaats slecht tekens (=betekenaars zijn), wier betekenis niet onmiddellijk duidelijk is, en die slechts in de openvolging van woorden-tekens relatief duidelijk wordt.

Ik ontwikkel een praktisch omgaan met de taal in haar pure teken-zijn. Ja, vooral in mijn schrijven, zie ik een obsessie met de pure tekens van de taal, hoe ik speel met woorden, de combinatie waarvan niet altijd een duidelijke betekenis, of soms juist wel, een obscene betekenis genereert.

Maar ook in mijn sociale leven, zie ik dat ik experimenteer de met conceptie van de taal van De Saussure en lacan. Ik heb het altijd moeilijk gehad met koetjes en kalfjes, hetgeen een zeer belangrijke sociale vaardigheid is, die ik niet bezit. Maar ik begin stilaan te merken dat het sociale leven niets meer is dan het rondstrooien van betekenaars, van tekens. Laat mij dit concreet maken. Ik stond aan de bankautomaat, en er was een vrouw met planten in een zak. Dus ik zei: 'mooie plantjes'. Ik had ook kunnen zeggen 'plantjes', want door het toevoegen van 'mooi' voeg ik al een waarderen element toe. Dus zeggen 'plantjes' tegen die vrouw had onmiddellijk een effect, want ja, die plantjes gingen op haar terras staan, haar buren waren negers, en dat zijn zo 'n vuile mensen, en het Vlaams belang is toch zo 'n goede partij, meneer, etc. Door de betekenaar, het teken 'plantjes' uit te spreken, kwamen we vanuit de botanie uit op de politieke organisatie van onze maatschappij, het racisme, etc.

Nu voer ik weeral een betekenisverschuiving uit,  waardoor ik mijn schrijven over het pure teken-zijn van de taal overschrijd. Maar vermits het hier gaat over mijn ervaring van taal in het sociale leven, is dit geoorloofd. In de supermarkt was er een klein meisje, dat zei: 'kijk mama, ik heb kleurtjes op mijn fiets', ja, zo van die blinkende reflectoren. De volwassenen lachten, ook ik, want we begrepen waarom het ging: als het primaire narcisme van het kind, dat zo vertederend, ja, 'schattig' is voor de volwassene. Dus ik bevestigde die positie door te zeggen: 'dat vinden ze toch zo leuk', en ik had direct een goed contact met de dame achter mij in de wachtrij aan de kassa. Door te zeggen 'dat vinden ze toch zo leuk (maw die kitscherige reflectoren aan de wielen van hun fietsjes, die kleine kinderen zo leuk vinden), bevestig ik op verschillende niveau 's het plezie: 1) het plezier van kinderen 2) het plezier van volwassenen om dit naïeve plezier van kinderen leuk te vinden 3) het plezier dat ik zelf daarin vind om dit te zien, en het plezier van de dame achter mij te bevestigen, en te versterken. Zo is o.a. één van de functies van de taal om elkaars plezier te bevestigen, ja, het bevestigen van elkaars plezier is het teken van de gezonde maatschappij...  

Nog een grotere betekenisverschuiving voer ik hier uit door de bevestiging van elkaars plezier in verband te brengen met de Zizekiaanse conceptie van racisme, als het ontkennen van het plezier van de ander: bv. dat negers er bv. pleizer in hebben om 'vuil' te leven, of dat moslims het leuk vinden om zich met textieltapijten te draperen...

 

WVU

12:21 Gepost door Johnsatyricon | Permalink | Commentaren (0) |  Print |  Facebook | |

De commentaren zijn gesloten.