11-04-10

Mannen van Staal

Men kan de periode 1914-1945 beschrijven in termen van de waanzin van de Westerse mens. In feite was die periode één grote cyclus van (zelf)destructie. Twee wereldoorlogen en twee totalitaire systemen, het fascisme en het communisme. In navolging van Hanna Arendt in haar boek over het totalitarisme, beschouw ik fascisme en communisme, als expressies van dezelfde Waanzin van de Europese mens.

Ik dien hier een beetje vanuit de losse pols te schrijven, het aaneenrijgen van dingen die ik gelezen heb, en intiïtieve flitsen. Het aangename van het medium blog voor mij ligt o.a. in het kunnen schrijven van kladversies, van mijn gedachten in ontwikkeling.

Waar wil ik hier naartoe gaan? Misschien dit: over de persoonlijkheidsstructuur van de mens in die grote cyclus van zelfdestructie. Ik heb vol fascinatie het boek Le sec et l' humide' (het droge en het natte) van Jonathan Littel gelezen. Dit gaat over een poging tot psychoanalytische duiding van de persoonlijkheidsstructuur van Léon Degrelle, aan de hand van zijn teksten. Misschien kan je je herinneren dat Degrelle de grote figuur was in de Waalse collaboratie met het nationaal-socialisme. Ja, het waren niet alleen de Vlamingen die collaboreerden met het Hitler-regime. Degrelle en zijn mannen vochten aan het Oostfront tegen het gehate bolsjevisme (het communisme).

Het unieke aan 'L' humide et le sec' is dat aan de hand van de pure woorden van Degrelles teksten, een poging tot duiding van de fascistische man wordt gegeven, van de soldatenman. Wanneer de mens schrijft, dan verraadt hij in zijn stijl, in de gebruikte metaforen, in wat gezegd wordt, en wat niet, en hoe het gezegd wordt, een groot deel van zijn persoonlijkheid. Een psychologisch geschoold waarnemer zou aan de hand van mijn schrijven een analyse van mijn persoonlijkheid kunnen geven. Littel schrijft dat het karakter van Degrelle moeilijk in Freudiaanse termen kan beschreven worden, maar eerder in termen van Melanie Klein, die de nadruk legt op de pre-Oedipale periode in de ontwikkeling van de mens.

De auteur ziet twee grote metaforen in het schrijven van Degrelle: het droge en het natte. Het droge is al wat en duidelijke vorm heet, vastomlijnd is, wat rechtstaat, zoals de kathedralen en de belforten van Vlaanderen, de fallische connotatie is maar al te duidelijk. Het natte is de vloegolf, de modder, de drek. De fascistische mens en maatschappij is het droge, wat gestold is, en die wordt bedreigd door de 'rode vloedgolf' van de bosjevistische zwijnen, de modder van Rusland, de drek en klodder van uiteengespatte lichamen.

Degrelle heeft een eigenaardige fixatie voor het morbide, het beeld van maden, die krioelen in de lichamen van rottende Russische doden. De mens die sterft, verwordt tot een vloeibare massa, en tegen dit schrikbeeld wil de gepansterde soldatenman zich beschermen. Hij projecteert de gruwelijkheid van de dood, als een vloeibaar worden van de mens, op de Rus. In tegenstelling daarmee idealiseert, heroïseert hij de dood van de Duitse soldaat. Die krijgt een fatsoenlijke begrafenis, met de nodige rituelen, zijn dood is eervol, terwijl de Russische doden liggen te rotten in de modder, als een slijmerige, geelgroene massa, doorkrioeld van maden.

Het vrouwenbeeld van de fasistische man valt uiteen in twee objecten: de geïdealiseerde vrouw, en de gedemoniseerde vrouw. De geïdealiseerde vrouw, dat is de Duitse verpleegster, die haar heilige plicht jegens het Vaderland doet. De gedemoniseerde vrouw, dat is 'das Flintenweib', de Russische soldatenvrouw. Zij vecht met de moed van een leeuwin, ook wanneer ze doorzeefd is met kogels. Zo 'n wezen kan onmogelijk een vrouw zijn, of tenhoogste een half-vrouw. Degrelle beschrijft het dode lichaam van zo 'n Russisch Flintenweib, en hij zegt dat de haarbegroeiing op haar gezicht bijna op een baard leek (vermannelijking van de vrouw).

De tegenstelling tussen de geïdelaiseerde Duitse vrouw en de gedemoniseerde Russische vrouw, is volgens mij te duiden in termen van Melanie Klein. Het kind, dat totaal afhankelijk is van zijn moeder, kan enkel sexuele deelobjecten ervaren, zoals de moederborst. Het ontwikkelt frustraties, omdat de moederborst niet constant aanwezig is. Daarom splijt het kind het object (=de voorstelling) van de borst in 'een goede borst' en een 'slechte borst'. Later kan dit het grondprincipe van de houding van de jongen/man tegenover de vrouw zijn: er zijn goede vrouwen, en er zijn slechte vrouwen. Er is geen tussencategorie. De man die het vrouwenbeeld gespleten heeft, slaagt er niet in om de goede en slechte eigenschappen van de vrouw in een synthese te ervaren, met ander woorden: vrouwen zijn wat ze zijn, ze hebben én goede én slechte eigenschappen. De 'goede borst' wordt geprojecteerd op de Duitse verpleegster, de 'slechte borst' wordt geprojecteerd op het Russische soldatenwijf.

Ik kan mij niet zo goed herinneren of Littel iets schrijft over de impliciete homo-erotiek van de fascistische soldatenman. Degrelle beschrijft nergens zijn vrouw en kinderen. Ja, hij was getrouwd en had kinderen. Maar dit zijn blijkbaar slechts meubelstukken in het universum van de fascistische soldatenman. Oorlog is een mannenzaak, tenminste in het geciviliseerde Duitse leger, terwijl in het leger van de Russische wormen Flintenweiber vechten. Mannen zijn in de oorlog op elkaar aangewezen, ze hebben elkaar nodig, en gaan dicht met elkaar om. Een leger kan niet functioneren, wanneer de soldaten geen libidineuze bindingen met elkaar aangaan. Men hoeft dat niet direct als homosexualiteit te interpreteren, maar het is een continuum dat wel in die richting tendeert. De kameraden zijn het belangrijkste libidineuze object in de faschistische soldatenman, belangrijker dan de vrouw en kinderen, die ver weg zijn.

De fascistische soldatenman, die gespteten is, idealiseert de goede objecten. Degrelle had een belangrijke rol gespeeld bij de ontzetting van de Tsjerkassy-omsingeling in 1944. Hij werd uitgenodigd door Hitler, om een ereteken te ontvangen. Hij schrijft dat Hitler krom was, maar hij schreef dat toe aan de heroïsche Führer, die voortdurend over zijn kaarten gebogen was. Terwijl het in werkelijkheid de veroudering van Hitler was, en de loodzware zorgen van de oorlog, die slecht voor de Duitsers aan het aflopen was.

Hitler zei toen tegen Degrelle: 'Jij bent de zoon die ik had willen hebben'. Hier wordt Degrelle geprojecteerd in de Zoon van de geïdealiseerde Vader. Degrelle zou zich later meermaals beroepen op deze positie, als imaginaire leider van extreem-rechts in het naoorlogse Europa, want welke legitimiteit is groter, dan de zoon van Hitler te zijn?

Over het Frans van Degrelle. Hoewel ik niet slecht Frans ken, is het Frans van Degrelle zeer barok, zijn vocabulaire is ontzettend rijk, waarbij ik dikwijls naar het woordenboek diende te grijpen. Hij put zich bv. uit in substantieven en adjectieven, die de Russiche Untermensch beschrijven. Ik zou het boek opnieuw moeten raadplegen, om daarvan voorbeelden te geven. Een gezwollen taalgebruik heeft volgens mij een psychische functie: de libidineuze bezetting van termen, als een semantische bescherming tegen hetgeen hij probeert af te weren: zijn eigen kwetsbaarheid, sterfelijkheid, het vormeloze, je het 'natte' waarin hij zich in de realiteit niet onderscheidt van de Russische ondermens...

Ik heb deze bijdrage 'mannen van staal' genoemd. Het aspect 'staal' is niet zo goed uitgekomen in dit schrijven. Het woord 'staal' komt associatief van 'In Stahlgewittern' van Ernst Jünger. Staal staat voor de materie die in de twee grote wereldoorlogen een allerdominante rol speelde: het staal van rondvliegende granaten, het staal van de panzers. Maar 'staal' staat ook voor het gigantische karakterpantser van de totalitaire soldatenman. Niet voor niets betekent Stalin: 'de man van staal'. Met andere woorden, de soldatenman van de fascistische en communistische maatschappijen was een gepantserde man, hij had een gigantisch stalen imaginair pantser rondom zijn ego. Door zich imaginair als staal voor te stellen, probeerde hij zich te beschermen tegen zijn eigen kwetsbaarheid, tegen zijn sterfelijkheid. Als God doodverklaart wordt, dan kan de karakterstructuur van de mens enkel de mens van staal zijn...

Maar het werk van Littel 'le sec et l' humide' is slechts een voorbode van het echte werk, met name 'Mannerphantasieën' van Klaus Teleweit, waarop Littel voortbouwt. Helaas is dit werk steeds uitgeleend in de bibliotheek van de Universiteit Antwerpen. Theleweit analyseert het gedachtengoed van de proto-fascistische mannen in de nasleep van de Eerste Wereldoorlog, waaronder Ernst Jünger met zijn 'in Stahlgewittern'. Vol verwachting kijk ik uit naar het moment dat dit boek beschikbaar is...

De intrede van de gepantserde soldatenman Degrelle in Charleroi en Brussel (1944):

14:57 Gepost door Johnsatyricon | Permalink | Commentaren (0) |  Print |  Facebook | |

De commentaren zijn gesloten.