10-04-10

Het genot

Ik ging in een nachtwinkel een pak koffie halen, en daar waren meisjes van een onbestemde ethniciteit, die echter Nederlands spraken. Ze kochten een soort van zuurstokken, en ze kirden van genot. De obscene associatie van likkende meisjes met de begeerte naar de Fallus lig voor de hand.

Deze concrete anecdote is een insteek naar de vraag wat de psychoanalyse uiteindelijk heeft opgeleverd op vlak van het begrijpen van de mens. Je hoeft het helemaal niet eens te zijn met Freud, je kan zijn theorieën onzin vinden, maar toch kan je niet voorbij aan de geniale intuïtie van Freud: met name dat de mens in eerste instantie een wezen van de lust is.

Ja, heel de psychoanalytische theorievorming draait rond het feit dat de lusten van de mens door de maatschappij verdrongen worden in functie van maatschappelijke aanpassing, wat Freud het realiteitsprincipe noemt. Dit was des temeer duidelijk in het Wenen rond 1900, waarin Freud zijn psychoanalyse ontwikkelde. Inderdaad, de 'Victoriaanse' periode, laten we zeggen de lange 19de eeuw tot 1914, stond in het teken van een zeer excessieve verdringing van de seksualiteit, die de kern uitmaakt van het lustprincipe. Ja, de sexualiteit is het principe waarnaar de andere lustobjecten gemodelleerd worden, in al dan niet gesublimeerde vorm.

Door de sexulele revolutie vanaf de jaren zestig, en door de consumptiemaatschappij, lijkt het alsof deze theorie achterhaald is. Want staan niet alle vrouwenbladen bol van sexuele dingen, zoals 'kan jouw vriend jouw clitoris herkennen?' Er rust nauwelijks nog een taboe op het bekijken van porno, die alomtegenwoordig is. De consumptiemaatschappij stelt het genieten, het genot centraal.

Ik weet niet zo goed waarnaar ik in deze bijdrage wil gaan. Misschien kan ik analytisch twee pistes onderscheiden: 1) de zeer diepgaande splijting tussen het produktie- en het consumptiesysteem. Alleen in het consumptiesysteem kunnen we spreken van een dominantie van het lustprincipe. Het produktiesysteem, de arbeid staat wel degelijk nog in het teken van een sterke verdringing van het lustprincipe. 2) de filosofie zit er compleet naast, wanneer ze de mens als een kennend, rationeel wezen interpreteert. Neen, de mens is in eerste instantie een lustzoekend wezen.

Bij het eerste aspect denk ik aan de theorie van Daniel Bell, The Cultural Contradictions of Capitalism, hoe de mens in de wereld van de arbeid aan zeer zware sociale dwangen onderhevig is, terwijl hij in zijn vrije tijd schijnbaar de vrijheid heeft om te genieten, maar dit genieten is geconditioneerd door de begeerte naar de consumptiegoederen, die zijn verlangen conditioneren. Tenminste, zo zie ik het: het verlangen van de mens is, door een zeer zware marketing- en mediamachine, erop gericht om die objecten nastrevenswaardig te vinden, die de belangen van grootkapitalistische ondernemingen goed uitkomen.

Waarmee ik niet wil zeggen dat er een eenrichtingsverkeer is tussen de marketingmachines en de mens. Integendeel: de mens houdt ervan om zijn verlangen gedetermineerd te zien door de logica van de consumptiemaatschappij. immers, in het tegengestelde geval zou hij verplicht zijn om na te denken wat nu zijn werkelijke behoeften zijn, en nadenken is moeilijk. In tegenstelling tot sommige -veelal marxistische- denkers, denk ik dat de mens niet zozeer uitgebuit wordt door het kapitalisme, maar dat hij zich vrijwillig laat uitbuiten door het kapitalisme, omdat de vruchten van zijn slavenarbeid in de vorm van consumptiegoederen zo begerenswaardig zijn. Omdat de logica van de consumptiemaatschappij een grens of een explicitering stelt aan zijn begeerte, met name: allen die objecten die door het gros van de mensen begerenswaardig worden gevonden (bv. een auto, een flatscreen-tv, een reis naar Indonesië), zijn begerenswaardig. De Ander, en niet zoeer 'het kapitalisme' stelt en grens aan zijn begeerte, en geeft die een specifieke vorm.

Wat overeenkomt met de theorie van de mimetische begerte van Girard. De mens begeert enkel wat de ander begeert. Een ander object van verlangen kan hij zich eenvoudigweg niet voorstellen. Zo werken mensen zich te pletter, om zich van de anderen te onderscheiden. En hoe meer objecten, die vroeger enkel voor de elite toegankelijk waren, hoe meer er met andere woorden sprake is van zinkend cultuurgoed, hoe meer die distincitie steeds moet verschuiven naar wat Freud het 'verschil van het kleine narcisme' noemt. Dit betekent: hoe meer consumptiegoederen in het bereik van de massa komen, des te meer is de mens geneigd om een surplusdistinctie te zoeken: nu bv. meer en meer mensen hun oude televisie inruilen voor een flatscreentelevisie, zal de naar distinctie zoekende mens het allerduurste model, de allergrootste flatscreentv aanschaffen. Hij zal vervolgens zijn vrienden uitnodigen, die alleen maar jaloezie zulen ervaren, en onbewust denken: zo 'n televisie wil ik ook. Zo blijft de helse cyclus van produceren en consumeren in stand. Dit spruit niet voort uit de kwaadaardigheid van een zogenaamde 'kapitalistenklasse', maar vanuit de sosciale psychologie van de mens: ik wil wat de ander heeft, en een ander object van verlangen is simpelweg niet denkbaar.

19:54 Gepost door Johnsatyricon | Permalink | Commentaren (0) |  Print |  Facebook | |

De commentaren zijn gesloten.