10-04-10

Ernst Jünger: 'In Stahlgewittern'

Als historicus ben ik mij de laatste jaren bijzonder voor het fenomeen oorlog gaan interesseren. Niet omdat ik militarist ben -dat hoop ik tenminste-, maar omdat het lot mij de macht heeft gegeven om de meest gruwelijke ervaringen van de mensheid te bestuderen. En oorlog is de hoogste gruwel die de mensheid kan meemaken.

Edgar Allen Poe zei dat de Liefde en de Dood de hoogste poëtische expressies vormen. Oorlog bestuderen, vooral in zijn existentiële vorm, geeft een gevoel van totale horror, een rilling die door het hele lichaam doorvoeld wordt.

Tegenwoordig ben ik Ernst Jünger aan het lezen: in Stahlgewittern (Staalwoede), in het Duits, omdat ik die taal nu aan het bestuderen ben. Ernst Jünger is een zeer eigenaardig personage. Hij is 102 jaar geworden, en heeft dus heel wat ontwikkelingen meegemaakt. Tijdens de Eerste Wereldoorlog diende hij als enthousiast soldaat in het Duitse leger. Op basis van de dagboeken die hij daar bijhield, werd in 1920 in Stalgewittern gepubliceerd. Jünger had een Nietschiaanse, elitaire levensvisie. De essentie van het leven is het gevaar, het nemen van risico 's. De nazi 's trachten hem later te accapareren, maar hij bleef relatief buiten het nationaal-socialisme staan. In zijn rijkgevulde leven heeft Jünger nog veel boeken geschreven, maar hij is altijd een Einzelgänger gebleven, door de enen opgehemeld, door de anderen verguisd.

Ik heb nog maar het begin van in Stahlgewittern gelezen, maar die ervaring maakte zo 'n sterke indruk op mij, dat ik er nog altijd niet goed van ben. Als men echt wil weten wat de persoonlijke ervaring was van de soldaat tijden WOI, hij leze in Stahlgewittern (zal wel in een Nederlandse vertaling bestaan. Jünger schrijft bovendien een prachtig literair Duits. De titel in Stahlgewittern is goed gekozen, want sinds de ontwikkeling van de vuurwapens en de moderne, krachtige artillerie, is oorlog niets anders dan rondvliegende stukken staal (obussenschrapnel en kogels).

Ernst Jünger kan dan als als hoge literatuur beschouwd worden, hij sublimeert de oorlog tot een narcistische ervaring. Hij verheerlijkt het krijgsgeweld, en ziet daarin de geboorte van de nieuwe mens, Bij hem is geen sprake van mededogen voor de lijdende mens in de loopgrachten, alleen het narcistisch genot van de geësthetiseerde oorlog. Door zijn afstandelijke stijl, creëert hij echter een indruk van absolute gruwel, van pure horror.

Een ander biografisch boek over de Eerste Wereldoorlog, is 'Vom Westen nichts neues' van Erich Maria Remarque. Zijn stijl is helemaal anders. Hij voert personages van vlees en bloed ten tonele, terwijl Jünger schrijft vanuit een soort gedecentreerd Ik, waarin de anderen als objecten in de dodendans van staal worden beschreven. Erich Maria Remarque wordt als mindere literatuur beschouwd. Dat heb ik ook ervaren bij de lectuur van (de helft van) dit boek. Stilistisch is Jünger superieur, maar als tijdsverslag van de gruwel in de loopgraven, is Remarque beter. Bij Jünger ervaart men zelden iets van de pijn van de lijdende soldaten.

Bijzonder getroffen werd ik door de beschrijving in 'Vom Westen nichts Neues' van door artillerievuur getroffen paarden. De beesten schreeuwden van angst. Eén raakte bij het vluchten verstrikt in in zijn eigen openliggende darmen. Een personage schreeuwde: die Pferde! Uiteindelijk slaagde men erin om de gewonde paarden af te maken. Ik ervoer dit als een hoogst veelzeggend symbool van de waanzin van de oorlog, hoe onschuldige dieren ten prooi vallen aan de geweldsobsessie van de mens...

Nur noch vereinzelt schlugen mächtige Granaten ein, von denen eine gleich einem Gruß der Hölle vor uns zerstellte und den Kanalbett mit finsteren Qualm füllte. Die Mannschaft verstummte, wie von einer eisigen Faust im Nacken gepackt, und stolperte hastig über Stacheldraht und Steintrümmer hinter mir her. Ein unheimliches Gefühl beschleicht das beim Durschreien einer unbekannten Stelllung zur Nachtzeit, auch wenn das Feuer nicht sonderlich stark ist; Auge und Ohr werden durch die sonderbarsten Täuschungen... 

Die Männer hatten die Bajonette aufgepflanzt. Sie standen in steinerner Unbeweglichkeit, das Gewehr in der Hand, am vorderen Lange des Holzwegs und starrten in das Vorgelände. Ab und zu, beim Schein einer Leuchtkugel, sah ich Stalhelm an Stahlhelm, Klinge an Klinge blinken und wurde von einem Gefühl der Unverletzbarkeit erfüllt. Wir konneten zermamlt, aber nicht besiegt werden.

Die Dorfstraße war vom Lriegschutt des zum Stillstand gekommenen Vormarches gesäumt. Zerschossenen Wagen, weggeforfene Munition, verostete Handwaffen un die Umrisse halbverwester Pferde, von blitzenden Fliegenwolke umbraust, verkündeten die Nichtigkeit

Aller Dinge im Kampf. Die auf dem höchsten Punkte ragende Kirche zeichnete sich nur noch als wüster Steinhaufen ab. Während ich einen Strauß verwilderter Rosen pflückte, mahnten einschlagende Granaten zu Vorsicht auf diesem Tanzplatz des Todes.

Enkel nog sporadisch sloegen machtige granaten in, waarvan er één als het ware een groet uit de hel was en de kanaalbedding met een onheilspellende walm vulde. De mannen verstomden, als door een ijzeren vuist in de nek gegrepen en strompelden haastig over prikkeldraad en stenen brokstukken. Men wordt overvallen door een griezelig gevoel, bij het 's nachts doorschreiden van een onbekende stelling, ook wanner het vuur niet bijzonder sterk is; ogen en oren worden door de wonderlijkste schijngestalten...

De mannen hadden de bajonetten opgestoken. Ze stonden in stenen onbeweeglijkheid, het geweer in de hand, in de voorste steling van de holle weg en staarden in het niemandsland. Af en toe, bij de flits van een lichtkogel, zag ik staalhem aan staalhelm, kling aan kling, en werd ik door een gevoel van onkwetsbaarheid .vervuld. We konden verbrijzeld, maar niet overwonnen worden...

De dorpsstraat lag bezaaid met krijgsafval van de tot stilstand gekomen opmars. Kapotgeschoten wagens, weggeworpen munitie, verroeste handwapens, de contouren van halfverrotte paarden, omzwermd door zoemende vliegenwolken, verkondigden...

de nietigheid van alle dingen in de strijd. De op het hoogste punt gelegen kerk, tekende zich nog slechts als een woeste steenhoop af. Terwijl ik een struik verwilderde rozen plukte, maanden de inslaande granaten tot voorzichtigheid op deze dansplaats van de Dood...

Dit videootje spreekt mij bijzonder aan, omwille van zijn repetitieve, obsederende muziek, het Gotische schrift en de unheimliche sfeer. Het geeft een goed sfeerbeeld van het geëstheticeerde geweld in 'In Stahlgewittern'...

22:21 Gepost door Johnsatyricon | Permalink | Commentaren (0) |  Print |  Facebook | |

De commentaren zijn gesloten.