06-04-10

Filosofie en de stoof van Descartes

Ik heb al van jongaf een grote liefde voor de wijsheid gehad, maar toen ik aan de universiteit kennismaakte met de academische filosofie, was dit een grote teleurstelling. In elke richting van de menswetenschappen, moet een beginnende student een vak 'inleiding tot de wijsbegeerte' volgen. Voor mij, net zoals zovelen, was filosofie een vak dat je letterlijk van buiten leerde, omdat je er weinig van begreep. Ik was zo in de ban van puberverdriet, liefdeprobleempjes, het gesmeten zijn in een massa van 500 studenten in het eerste jaar rechten, het verlaten van de veilige gebogenheid van een provinciaal stadje.

Laat me voor mezelf spreken: het enige dat een beetje aansloot bij mijn ervaring was het existentialisme, een nu verouderde filosofische stroming van o.a. Sartre en Merleau-Ponty, met o.a. de notie van de radicale vrijheid, die de onrijpe adolescent die ik toen was aansprak, want het leven lag nog voor mij. Ook enkele apspecten van Heidegger konden me boeien, zoals de mens is een 'Dasein', de mens is er gewoon, hij is geworpen in het leven, hij is een Sein-zum-Tode, het enige dat we zeker kunnen weten is dat ik zal sterven.

Ik herinner mij een echte metafysiche of ontologische flits toen ik zo 'n jaar of acht was. We verbleven toen in ons buitenhuisje, ik keek naar de stenen van de stal, en eensklaps overviel mij een geweldige angst: wat als ik éen van die stenen was? Gelukkig dat ik geen steen ben, maar dat ik ben wie ik ben. Want: kan een steen denken? Heeft een steen bewustzijn? Weet een steen dat hij er is? Of, later in de puberteit, werd ik soms gekweld door het denken aan het Niets. Wat is het Niets? Men kan zich het Niets zelfs niet voorstellen. Een lege ruimte is niet het niets, zelfs zonder zuurstofmoleculen en dergelijke, want dan is er nog altijd de ruimte. Dit is de ontologische vraag van Heidegger, de vraag naar het Zijn als dusdanig, de meest abstracte eigenschappen van het Zijn, abstractie makend van concrete Zijnden (zoals een steen, een mens, een hond, etc...), en als tegengesteld zijnde aan het Niets.

Ook Marx zei me wel iets in die inleidende cursus filosofie, want ik kwam uit een omgeving waarin ik redelijk wat linkse impulsen had ondergaan. De notie dat het zijn het bewustzijn bepaalt, dat de plaats die men inneemt in de socio-economische machtsstructuren bepaalt hoe men denkt. De jaren dat ik aan de universiteit begon, stonden namelijk in het teken van de neo-liberale vloedgolf van Thatcher, Reagan en Baby-Thatcher Verhofstadt. Dus een flinke scheut marxisme was een heilzaam antidotum voor mij, die trachtte te overleven in deze hel van fils- en filles-à-papa die de rechtsfaculteit bevolkten.

Maar de rest was pure van-buiten-blokkerij. Ik deed het niet slecht aan de universiteit, maar ik was zeker geen uitblinker, ik leerde veel van buiten. Vreemd, als ik daar nu op terugkijk, want nu kan ik iets lezen of op televisie bekijken, en dat dagen later in mijn eigen woorden navertellen, zonder de oorspronkelijke bron opnieuw te raadplegen. Dit doe ik hier dikwijls, vooral het navertellen van wat ik op tv gezien heb. Dus de van-buiten-blokkerij van het studentje is lang verleden tijd.

Volgens mij is het weinig zinvol om aan 18-jarigen dergelijke filosofie te geven, men zou dit beter helemaal aan het einde van de cyclus geven. Beter nog zou het zijn om in volkshogescholen aan belangstellende volwassenen op latere leeftijd filosofisch denken te geven. Men moet immers een een hele levenservaring achter de rug hebben, om werkelijk te begrijpen waar het in de filosofie om gaat. Die is namelijk van een zeer hoog abstractieniveau. Als 18-jarige bezit men dergelijk abstractieniveau nog niet, en men heeft geen levenservaring, waaruit die abstracties kunnen voortvloeien.

Mijn inleiding dreigt weer te lang te worden, want ik wou iets schrijven over het gedachtenexperiment van Descartes, wat beschouwd wordt als de geboorte van de moderne filosofie in de 17de eeuw. Toch is die inleidig relevant voor dit onderwerp, want men dient een scherp onderscheid te maken tussen het 'leven zoals het is', zoals het door de mensen ervaren en geleden wordt, en de 'filosofie'. Als men in de filosofie een soort psychologie zoekt, of een geheel van praktische raadgevingen over hoe men zijn leven het best kan inrichten, dan komt men meestal bedrogen uit.

Ik heb altijd de indruk gehad dat filosofie niet over het leven gaat, maar over de filosofie. Het is in zekere zin een zelfreferentieel systeem, dat enkel naar zichzelf verwijst. Dit is een zeer vervreemdende vaststelling, waardoor het lezen van filosofische boeken zo frustrerend is, en men ze zeer vlug terzijde werpt als vrij nutteloos. Ik vind meer nuttige filosofie in de theoretische bovenlagen van de empirische wetenschappen, zoals de sociologie, de geschiedenis, de psychologie etc.

Filosofie zoals die in het Westen begrepen wordt, is een zeer vreemde en bevreemdende vorm van denken. Men bevroedt dat er wel ergens zin in te vinden is, maar die moet je er zelf in leggen, en meestal blijkt dan dat het niet dat is wat de auteur bedoelt. Het abstractieniveau en het jargon zijn dikwijls wanstaltig, stuigend, lelijk, onesthetisch, werkelijkheidsvreemd. Zo moet men de Westerse filosofie lezen, als een specifieke vorm van denken van specifieke wezens, die zich filosofen noemen, en die in een eindeloze cyclus van zelfreferentialiteit naar elkaar verwijzen, in een trieste reeks van 2000 jaar 'I' ll scratch your back, then you' ll scratch mine'.

Het is pas op latere leeftijd, als men al heel wat levenservaring achter de rug heeft, dat men beter begrijp wat filosofie is. Die is namelijk niet meer dan een methode, een begripsmatig apparaat, een gereedschapskist met conceptual tools. Voor mij betekent dit, de concepten van de filosofen stelen en daar mijn eigen ding mee doen, ze opnieuw humaniseren, zo vlug mogelijk dit wanstaltig bouwwerk van kurkdroge letterneukerij ontvluchten, en ze opnieuw in het leven brengen.

Heb ik nu nog wel zin om over de stoof an Descartes te spreken? Goed, we zullen het proberen. Eigenlijk start de moderne filosofie in de 17de eeuw met het gedachtenexperiment van een soldaat in de Noordelijke Nederlanden. Die soldaat heette Descartes. Hij was ook een briljante wiskundige, die het Cartesiaanse assenstelsel uitvond, dat wij allemaal op de secundaire school hebben geleerd. De 'echte' filosofen waren toen nogal manusjes-doe-al, want de academische filosofie van die tijd was niets anders dan het eindeloos interpreteren van de scholastieke synthese van Thomas van Aquino uit de 13de eeuw, die christelijk geloof combineerde met de Griekse filosoof Aristoteles. Een tijdgenoot van Descartes was Spinoza, hij was brillenslijper. Dit om aan te toenen dat denkers die nu als grote filosofen beschouwd worden, in hun eigen tijd outcasts waren, die met andere dingen hun brood verdienden.

Maar goed, terug naar de soldaat Descartes. In de winterperiode werd er niet gevochten, dan verbleven de soldaten in een legerkamp. Het was een ijskoude winterdag, en koukleum Descartes trok zich een hele dag terug in een tent, waar een stoof brandde. Hij stelde zich de vraag: wie ben ik en wat kan ik kennen? Hij begon zijn zintuigelijke indrukken in vraag te stellen: zit ik werkelijk bij de stoof in mijn peigneoir? Ik kan daar niet zeker van zijn, want ik heb dikwijls zoiets gedroomd, en in mijn dromen leek het echt.

Wat met de dingen rondom rondom mij, die bepaalde eigenschappen lijken te hebben, zoals vorm, aantal en uitgebreidheid. Deze lijken echt, maar het is nog altijd mogelijk dat dit uitvindingen van een kwade geest zijn, die mij wil beriegen. Zelfs als een kwade geest mij bedriegt, zelfs als mijn lichaam een illusie is, dan nog kan ik niet twijfelen aan het feit dat ik in éen of andere vorm moet bestaan.

Zelfs als ik denk dat alls vals is, dan volgt daar noodzakelijk uit voort dat ik, die denk, iets moet zijn. Ik denk, dus ik ben. Deze waarheid is zo zeker en evident, dat de extravagantste argumenten van de sceptici het niet kunnen weerleggen. Ik kan dit zonder scrupules als het eerste principe aannemen van de filosofie die ik aan het zoeken ben, zo schrijft Descartes in zijn 'Méditations métafysiques".

Dit 'Ik denk, dus ik ben', of in het Latijn 'Cogito, ergo sum', is de geboorte van de moderne filosofie. De filosofie vertrekt vanaf nu vanuit het menselijk bewustzijn of denken, en niet meer vanuit God (hoewel die in eerste instantie niet werd verworpen). Dit bedoeld men dus met het Cartesiaanse cogito of het Cartesiaans subject: dit is de mens, het subject die denkt of bewust is, los van alle andere eigenschappen of objecten van denken of bewustzijn. Als ik aan alles twijfel, dan nog kan ik er niet naastkijken dat ik, die alles in twijfel stel, werkelijk besta.

Men ziet dat Descartes in dit gedachtenexperiment het denkend bewustzijn als grondslag van de filosofie van meetaf aan diende af te zonderen van de droom (de fantasie) en de waanzin (de kwade geest). Het zou aan de laat-20ste filosofie zijn, om de fantasie en de waanzin opnieuw in te filosofie te brengen, door te stellen dat redelijkheid niet scherp kan afgebakend worden van de fantasie, en zelfs van de waanzin, maar dit is een heel ander verhaal.

Maar ook het conceptueel tussen haakjes plaatsen ('Einklammerung' in de zin van Husserl) van bv. de lichamelijk eigenschappen van het ik denk, dus ik ben, wordt door de laat-20ste-eeuwse filosofie geproblematiseerd. Het is namelijk belangrijk of je een man of een vrouw bent, een blanke of een zwarte. Het is heel moeilijk om zoiets als een 'zuiver' subject te isoleren uit de levensfeitelijkheid. Het Cartesiaanse subject is het bloedeloos, gedesincarneerd subject van der wetenschap, van de valse universaliteitsaanspraken van de Verlichting. Uiteraard heeft Descartes dit niet bedoelt maar werd zijn abstratie in die zin gebruikt (of misbruikt?). De feministische filosofie zou later dit (in werklijkheid: manelijke) subject problematiseren.

(uit te werken: de vraag naar wie ik ben is voor de actuele mens uit het tijdperk van de massamedia en het internet nog veel moeilijker dan voor de mens uit de 17de eeuw: wat is het werkelijheidsgehalte van de beelden die ons via televisie en internet overstromen, en wat is mij verhouding daartoe? Worden die beelden door dezelfde boze geest, die Descartes wilde bedriegen, in ons bewustzijn geplant?)

11:03 Gepost door Johnsatyricon | Permalink | Commentaren (0) |  Print |  Facebook | |

De commentaren zijn gesloten.